Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Aanwijzingen van 1937

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Inleiding

De Aanwijzingen van 1937, voluit
Aanwijzingen betreffende de houding, aan te nemen door de bestuursorganen van het rijk, de provinciën, gemeenten, waterschappen, veenschappen en veenpolders, alsmede door het daarbij in dienst zijnde personeel en door het personeel in dienst bij spoor- en tramwegen in geval van een vijandelijke inval
is een document dat in mei 1937 werd goedgekeurd door de minsterraad.

Het document was opgesteld in verband met de toenemende oorlogsdreiging in de jaren dertig. Het bevatte instructies voor bestuurders en ambtenaren – zoals opgesomd in de titel – voor het geval van schending van de Nederlandse neutraliteit of bezetting van het Nederlandse grondgebied. De basis voor de Aanwijzingen was het internationale volkenrecht zoals dat na de Haagse Vredesconferenties van 1899 en 1907 was overeengekomen. In de verdragen die hieruit voortvloeiden werd voor het eerst internationaal vastgelegd waaraan de partijen in een gewapend conflict zich moesten houden. In de Eerste Wereldoorlog hadden de Duitsers deze verdragen in onder meer België regelmatig geschonden. Bij het opstellen van de Aanwijzingen is met dit feit rekening gehouden.

De Aanwijzingen werden in 1938 in verzegelde enveloppen toegestuurd aan de Commissarissen der Koningin en aan de burgemeesters, maar er werd verder geen bekendheid aan gegeven. Uiteraard had de minsterraad een Duitse bezetting op het oog, maar dat mocht niet blijken omdat Duitsland voor het neutrale Nederland een bevriende natie was. Het gevolg was dat bij de Duitse inval op 10 mei 1940 menig burgemeester niet (meer) wist dat er een enveloppe met instructies in de gemeentekluis lag.

Burgemeesters

Het internationale volkenrecht bepaalt onder meer dat een bezetter alles moet doen om de openbare orde en het openbaar leven te herstellen, met eerbiediging van de in het land geldende wetten. Hij moet dus samenwerken met de bestuursorganen in het bezette land – op plaatselijk niveau met de burgemeester.

De Aanwijzingen gaven de burgemeesters de raad aan te blijven om zo de negatieve gevolgen van de bezetting zo veel mogelijk kunnen beperken of althans eerlijk over de bevolking te kunnen verdelen. De instructies waren echter vaag – wat niet verwonderlijk is, want Nederland was al meer dan honderd jaar niet meer in oorlog geweest. De burgemeesters zagen zich zodoende voor een groot dilemma gesteld. Aanblijven betekende samenwerken met de bezetter. Dit kon voor de bevolking gunstig uitpakken, maar kon ook worden uitgelegd als collaboratie met de vijand. Aftreden daarentegen betekende dat er een NSB-burgemeester aangesteld werd – waarmee de bevolking zeker niet geholpen was. Soms losten de Duitsers het dilemma op door een burgemeester te ontslaan. Dit is de Berghse burgemeester Nederveen begin 1942 overkomen. Hij werd vervangen door de NSB'er Van der Werf.

Ook de volgende Achterhoekse gemeenten hadden een NSB-burgemeester: Angerlo, Lichtenvoorde, Ruurlo, Steenderen, Winterswijk en Zutphen.

Burgers

Zoals hierboven al vermeld, werd er in de Aanwijzingen op gewezen dat de bezetter zich moest houden aan de geldende wetten en aan het internationale volkenrecht. Toch mocht hij van de plaatselijke bevolking diensten eisen zolang die niet rechtstreeks met krijgsverrichtingen verband hielden. Dit kon zijn de leverantie van niet-militaire goederen, het vervoeren van gewonden of zieken en, onder bepaalde voorwaarden, het vorderen van woonruimte voor inkwartiering. Ook was het geoorloofd werklieden in te zetten bij het herstel van wegen, bruggen, gebouwen en dergelijke, voor zover die geen specifiek militair karakter hadden. In bijzondere gevallen mocht de bezetter bevel tot evacuatie geven, zodat mensen hun woning en woonplaats moesten verlaten.

Het was de bezetter pertinent verboden de bevolking direct of indirect te laten deelnemen aan krijgshandelingen. Dit verbod hebben de Duitsers overtreden door mensen te dwingen voor de Todt te werken. Meerdere personen hebben tijdens of als gevolg van hun werk voor de Todt de dood gevonden. Hieronder waren dwangarbeiders uit Kamp Rees en inwoners van Bergh, zoals Toon Bosman, Jan Mijnen en Hein Thuis.

Een andere schending van het volkenrecht was tewerkstelling in de Duitse oorlogsindustrie. Dit heeft het leven gekost aan onder meer Antoon Koenders.

Ook was het verboden burgers te laten werken op plaatsen waar zij onder vuur van de tegenpartij (lees: de geallieerden) konden komen. Bij de dood van Arnold van Schriek waren de Duitsers dus dubbel in overtreding: hij moest munitie vervoeren in een gebied dat onder geallieerd artillerievuur lag.

Bronnen

  • J.J.G. Boot: Burgemeester in bezettingstijd, Uitgeverij Semper Agendo, Apeldoorn (1967), blz. 359–366 (dit is de volledige tekst van de Aanwijzingen)
  • W.E. Meiboom: Bijzonder bestraft: context, analyse en waardering van de bijzondere rechtspraak door de Kamer Groningen van het Bijzonder Gerechtshof Leeuwarden en van cassaties in Groningse zaken, proefschrift Universiteit Leiden (2016), blz. 44-46
  • Nederlandsche Staatscourant van 26 november 1945 op Delpher