Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Berntsen, Clemens Stephanus

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Clemens Berntsen twee dagen na zijn 82e verjaardag in zijn bungalow in Huizen. De tafel ligt vol vervalste documenten en ander materiaal uit en over zijn tijd in het Beekse verzet.
Foto Marcel Messing

Clemens Berntsen werd geboren te Loerbeek op 26 december 1925 als vierde van de negen kinderen van Albertus Johannes Wilhelmus Berntsen en Theodora Grada ten Bensel.

Deze pagina gaat over Clemens’ verzetswerk tijdens het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog heeft hij jarenlang een luxe banketbakkerij gehad in de P.C. Hooftstraat in Amsterdam. Toen hij met pensioen ging, is hij verhuisd naar Huizen, waar hij op 18 april 2011 op 85-jarige leeftijd overleed.

Hij was een broer van Wim Berntsen en een volle neef van Wim van Clé Berntsen.



De entree in het verzet

Clemens had het banketbakkersvak geleerd op de Bisschoppelijke Nijverheidsschool in Voorhout bij Leiden. Zo kwam het dat hij in de oorlog werkte bij een banketbakker in Arnhem, die zijn zaak begin 1944 op last van de Duitsers moest sluiten. Noodgedwongen keerde Clemens terug naar Loerbeek.

Daar hadden zijn oudere broer Gerrit en Wim Moorman op de zolder van een vroegere varkensschuur van vader Berntsen een schuilplaats gebouwd, verborgen achter stro, waar ze naar Radio Oranje konden luisteren. Dat was het programma van de Nederlandse regering in ballingschap in Londen, dat door de BBC werd uitgezonden. Die radio was een nieuw toestel van iemand die hem niet had willen inleveren bij de Duitsers, maar het ook te riskant vond hem zelf te bewaren.

Het bleek dat Gerrit en Wim actief waren in het verzet, maar Gerrit werd dit al gauw te riskant. Daarop heeft Wim Moorman aan Clemens gevraagd of hij niet wilde meehelpen, om te beginnen met het rondbrengen van illegaal geld aan mensen die onderduikers in huis hadden. Clemens stemde toe, en zo is hij bij het verzet terechtgekomen. Hij werkte vooral samen met Wim Moorman. In de herfst van 1944 voegde zich Karel Adriaens bij de groep. Met nog enkele andere Beekse en Loerbeekse verzetslieden stonden zij onder leiding van de marechaussee Herman Ankoné.

Om te zeggen dat hij een verzetsman is geweest, vond Clemens op zijn oude dag een overdreven woord. Het ging om het laatste jaar van de oorlog, en toen deed iedereen datgene wat hem het beste leek om te doen.

De schuur

De verzetsgroep Beek maakte gebruik van de hierboven genoemde schuilplaats op de zolder van een thans niet meer bestaande veeschuur, die stond aan de overkant van de Berkenlaan, schuin tegenover de molen van Berntsen in Loerbeek. De schuilplaats was een ruimte van ongeveer vijf bij vijf meter, helemaal omgeven door stro. Hier werd naar de Engelse zender geluisterd en tijdelijk onderdak verleend aan onderduikers van divers pluimage. Onder hen waren de Brit George Kelly en de Oostenrijker Hans Reichel. Ook de verzetsleider van het rayon Doetinchem, Jan Houtsma en zijn vriendin, de koerierster Annie de Graaf, hebben zich er een tijdje schuilgehouden. Clemens, Wim en Karel sliepen er zelf ook wel als ze het vermoeden hadden dat er naar hen gezocht werd.

In de schuilplaats werden behalve mensen ook wapens verborgen, waaronder een Nederlands legergeweer, een Duitse karabijn, een revolver, een handgranaat en nog enkele handvuurwapens. Een daarvan was zo klein dat hij achter een gestrekte hand verborgen kon worden. Voor elk wapen was er bijpassende munitie. Verder was er het uniform van een gedeserteerde soldaat van de Kriegsmarine. Na januari 1945, toen bekend was geworden dat Wim Moorman bij Dokkum was gefusilleerd, werd de schuilplaats ontmanteld. Alles behalve de radio is toen in de grond gestopt. Na de oorlog zijn de wapens opgegraven en vernietigd.

Hulp aan onderduikers en stakend spoorwegpersoneel

Een belangrijk deel van zijn illegale werk deed Clemens voor de LO, de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. Het bestond vooral uit het rondbrengen van geld en bonkaarten naar de verschillende onderduikadressen.

Na september 1944, toen de landelijke spoorwegstaking was uitgebroken, nam het werk in omvang toe. Het begon ermee dat Clemens en Wim Moorman (onder de schuilnamen Groot en Klein) in opdracht van Jan Houtsma met elk van de stationschefs van Wehl, Didam en Zevenaar een gesprek hadden om hen over te halen zich met hun personeel bij de staking aan te sluiten. Het loon van de stakers zou dan doorbetaald worden met geld van het Nationaal Steun Fonds. Hoewel de consequentie was dat de stakers moesten onderduiken, deed iedereen mee. De een regelde het onderduiken zelf, maar de ander moest aan een adres geholpen worden. De stationschef van Zevenaar was toen met ziekteverlof en zei: “Ik zorg wel dat ik niet beter word.” Dat was natuurlijk ook goed. Een spoorwegwachter zei dat hij niet van huis kon, omdat zijn vrouw ziek was en het derde kind verwachtte. Hij vroeg daarom of het goed was dat hij de spoorbomen gewoon bleef bedienen, want thuis zijn en de bomen niet dichtdoen, dat zouden de Duitsers niet kunnen begrijpen. Clemens heeft toen gezegd dat het goed was, maar na de oorlog werd hij opgehaald en per auto naar Hengelo gebracht. Daar vroeg een mijnheer of het waar was van die spoorwegwachter, die niet gestaakt, maar wel geld gekregen had. Verder gebeurde er niets. Daarna werd Clemens weer naar huis gebracht. Dit akkefietje is dus met een sisser afgelopen.

Clemens heeft tot het einde van de oorlog voor de betaling van het spoorwegpersoneel van Wehl en Didam gezorgd. Wim en Karel hebben meegeholpen tot hun fatale reis naar Friesland in januari 1945. Voor de betaling van de eerste maandsalarissen hebben Clemens en Wim 20.000 gulden bij de Twentsche Bank in Doetinchem opgehaald. Clemens heeft het voor een nacht mee naar huis genomen, zodat zijn vader kon zien dat hij zich met een goede zaak bezighield.

In Zevenaar woonden zo veel spoorweglieden dat die niet vanuit Loerbeek betaald konden worden. Opdat het verzet aldaar deze taak kon overnemen, ging Clemens op de fiets naar Zevenaar met een lijst gegevens over de stakers. Onderweg werd hij aangehouden door de Duitsers. Om te voorkomen dat ze de lijst zouden zien, zei Clemens dat hij een evacué uit de Betuwe was, en zijn papieren kwijt was omdat hij zijn woonplaats hals over kop had moeten verlaten (de Betuwe lag op dat moment in de frontlijn). Daarop moest hij bij een groep personen gaan staan die al aangehouden waren. Het was op de plek waar tegenwoordig de A12 de oude weg van Didam naar Zevenaar snijdt. Er lag toen al een berg zand (de weg zelf volgde pas eind jaren vijftig) met daarnaast een bewoonde bouwkeet en een buiten-wc. Clemens zei dat hij moest, en heeft de lijst toen achter de privaatemmer verstopt. De groep arrestanten werd daarna afgevoerd naar een café in Zevenaar, en toen de Duitse bewaker even niet oplette, heeft Clemens ongezien kunnen wegkomen. Via een omweg heeft hij de lijst weer opgehaald en op het juiste adres afgeleverd.

Valse papieren

Een voorbeeld van een vervalst document waarover het verzet in Beek beschikte. Dit document gaf vrijstelling van de Arbeitseinsatz. Personen die van het verzet zo'n formulier gekregen hadden, moesten direct naar huis (of elders) vertrekken. (Bron: collectie Clemens Berntsen)

De valse papieren waarover Clemens en andere verzetsmensen in Bergh beschikten, werden gemaakt door de familie Schuurman in Didam.

Op een zaterdag in de winter van 1945, Wim Moorman was toen al dood, stond Clemens op het punt weg te gaan bij Jan Houtsma in Doetinchem, toen daar het bericht binnenkwam dat de Duitsers de pastoor en de kapelaan van Wehl die avond gingen oppakken in verband met valse papieren. Een lid van het verzet had een gesprek van die strekking afgeluisterd. Clemens zei toen dat hij wel naar Wehl en Didam zou fietsen om de betrokkenen te waarschuwen. Toen hij in Wehl was geweest en naar Didam op weg was, werd hij vlak voor de afslag naar Nieuw-Wehl gestopt door een stel Duitsers in een auto. Ze vroegen de weg naar de kerk van Nieuw-Wehl. Clemens realiseerde zich toen dat het afgeluisterde gesprek wel eens verkeerd begrepen kon zijn, dat niet Wehl, maar Nieuw-Wehl bedoeld werd. Daarom stuurde hij de auto de kant van Didam op en fietste zelf naar de pastorie in Nieuw-Wehl. Enkele illegale spullen die hij bij zich had, verstopte hij eerst nog achter een struik. Bij de pastorie aangekomen, zei de pastoor: “Wij doen zoiets niet, maar ’t is goed dat je het ons bent komen vertellen, dan gaat morgen iemand van ons de mis in Wehl wel lezen.”

Clemens heeft vervolgens zijn spullen weer achter de struik vandaan gehaald, maar door de onverwachte omweg naar Nieuw-Wehl was het te laat geworden om nog naar Didam te gaan. De volgende dag werd hij na de mis opgewacht door een meisje dat hem vertelde dat de familie Schuurman was opgepakt. Gelukkig zijn ze enige tijd later weer vrijgelaten.

Spionage

Gedurende de laatste maanden van de oorlog heeft Clemens deelgenomen aan spionagewerk voor de geallieerden. Op een dag kwam Herman Ankoné bij hem en vroeg hem naar de directeur van de dakpannenfabriek in Giesbeek te gaan. Dat bleek ene Höpink te zijn. Hij vroeg Clemens eerst hoe hij de spoorwegstaking in Wehl, Didam en Zevenaar had geregeld. Daarna vertelde hij dat hij na zijn aanstelling als directeur eerst een week als sjouwer kruiwagens met klei had aangevoerd, zonder dat zijn medewerkers wisten dat hij de nieuwe directeur was. Ze hoefden hem dus niks wijs te maken.

Toen kwam hij ter zake en zei dat de geallieerden er veel belang in stelden alles te weten over verplaatsingen van Duitse troepen en materieel, en over Duitse geschutsopstellingen. Het huis van Berntsen op het kruispunt in Loerbeek was een perfecte locatie om hiervan een en ander te zien. Höpink gaf een code mee, waarin de waarnemingen moesten worden opgeschreven. De wegen naar het front waren die naar Elten en Zeddam, van het front waren de wegen naar Didam en Kilder. Clemens’ zus Riek heeft vanuit de keuken heel wat genoteerd. De ene dag kwam er iemand uit Zeddam langs om de notities in een gratis rode giro-enveloppe mee te nemen naar Schuurman in Didam, de andere dag ging Clemens via Zeddam naar Schuurman. Gegevens over geschutsopstellingen gingen via Herman Ankoné naar Höpink.

Geschutsopstellingen waarvan de positie via Ankoné en Höpink werd doorgegeven, werden na een dag of drie door de geallieerde artillerie beschoten. Het geschut verdween dan meestal snel naar elders, maar het duurde dan ook weer een dag of drie voor het schieten ophield. Bij de Byvanck stonden op een gegeven moment Duitse kanonnen terwijl Clemens daar ondergedoken zat. Toen de geallieerde granaten begonnen te vallen, klampte de gastvrouw, mevrouw Hendricksen, Clemens aan en zei: “Zeg toch dat ze stoppen met schieten, want daar komen ongelukken van!” Het commentaar van Herman Ankoné was naderhand dat dat niet zo maar ging.

Een liquidatie

Clemens werd gedurende zijn tijd bij het verzet twee keer met de dood geconfronteerd. De tweede keer was de executie van zijn vriend Wim Moorman, de eerste keer was de liquidatie van een spion die begin november 1944 in de Beekse verzetsgroep was geïnfiltreerd. De betrokken persoon, naar achteraf bleek een 23-jarige machinebankwerker uit Gennep, was waarschijnlijk met de stroom evacués uit Noord-Limburg in Bergh terechtgekomen. Daar had hij zich bij de pastoor van Kilder voorgedaan als een marechaussee die voor de Duitsers op de vlucht was.

Via het verzet kreeg de Limburger onderdak in de schuilplaats in Loerbeek. Wim Moorman zei op een middag tegen Clemens: “Ik ga nu naar de schuur, maar dadelijk komt er iemand, wil je die ook naar de schuur brengen. Hij wil ons helpen met het illegale werk.” Even later meldde zich inderdaad iemand met de merkwaardige vraag: “Ben ik hier bij de ondergrondse?”

De nieuwe onderduiker zat nog maar net in de schuur, of er kwam al bericht dat hij niet te vertrouwen was. Herman Ankoné gaf het bevel dat de man onder geen beding alleen naar buiten mocht. Een aantal verzetsmensen had hem aan een kruisverhoor onderworpen, waarbij hij zichzelf had tegengesproken. Toen hij had gemerkt dat zijn ondervragers gewapend waren, schijnt hij bovendien gezegd te hebben: “Schiet me maar kapot!” In de schuilplaats werd hij dus goed in de gaten gehouden door Clemens, Wim, Karel en George Kelly en Hans Reichel.

Toch stond niet geheel vast dat de man een verrader was. Daarom werd er in Doetinchem een overval beraamd, die door Wim Moorman en de Limburger zou worden gepleegd. Die overval zou met opzet mislukken, waarna enkele betrouwbare politiemensen de man nog eens stevig aan de tand zouden voelen. Maar dit plan mislukte, omdat hij alleen mee wilde doen als hij een wapen zou krijgen.

De middag na aankomst van de Limburger moesten Clemens en Wim voor een andere aangelegenheid naar het jongensinternaat in Harreveld (waar vanaf november 1944 een noodhospitaal was). Daar ontmoetten ze broeder Liguori, die Clemens nog kende van de Bisschoppelijke Nijverheidsschool in Voorhout. De broeder kende de Limburger ook en bevestigde dat hij absoluut niet te vertrouwen was. Daarop zei Clemens iets tegen Wim dat niet kon verhullen dat de man zich in een levensbedreigende situatie had gemanoeuvreerd. De broeder zette grote ogen op, en Wim zei naderhand tegen Clemens: “Dat had je beter niet kunnen zeggen!”

Intussen was door Jan Houtsma en zijn naaste medewerkers het besluit genomen dat de Limburger dood moest. Het risico was te groot dat hij inderdaad een zogenaamde V-mann (Vertrauensmann) was, een helper van de Sicherheitsdienst. Het zou niet de eerste keer zijn dat een verzetsgroep door het werk van zo’n infiltrant werd opgerold.

De volgende dag, het was 9 november, kwamen Wim en Karel bij Clemens en lieten hem strootje trekken. Pas nadat hij dit had gedaan, bleek de reden. Zij hadden met zijn drieën de opdracht gekregen de Limburger te doden. Hoewel ze volop van de ernst van de situatie doordrongen waren, viel hun deze taak begrijpelijkerwijze erg zwaar. Na enig heen en weer gepraat is het erop uitgedraaid dat George Kelly de man met een nekschot heeft geëxecuteerd. Dat was rond vijf uur 's middags. ‘s Avonds hebben de jongens met elkaar achter de schuur een graf gegraven, de dode op een ladder gelegd en hem er zijwaarts ingekieperd.

De volgende dag hebben Clemens, Wim en Karel wat geld bij elkaar gelegd en een mis laten lezen voor de dode. George Kelly, ook een katholiek, vond dit waanzin. Hoe kon je eerst iemand laten doodschieten en daarna voor diezelfde persoon een mis laten lezen? Een paar dagen nadien hebben Herman en Wim in de keuken van Berntsen een rapport van het gebeurde opgemaakt. Dit rapport is waarschijnlijk aan Jan Houtsma gegeven. Een paar weken later lieten de Duitsers loopgraven aanleggen in Loerbeek. Een daarvan liep op amper twee meter van het graf van de verrader. Na de oorlog kon je nog precies zien waar de loopgraven gelopen hadden; daar groeide het koren beter.

Aan de liquidatie is natuurlijk geen ruchtbaarheid gegeven, maar de plaatselijke bevolking had toch wel door dat er iets gebeurd was, al wisten ze er het fijne niet van. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het interview met mevr. Leuverink en de herinneringen van Piet en Hend Welling. Gerechtelijk onderzoek na de oorlog heeft uitgewezen dat de liquidatie onder de gegeven oorlogsomstandigheden gerechtvaardigd was, omdat er de levens van meerdere verzetsmensen door gered zijn.

Jaren later kwam er iemand Clemens' banketbakkerswinkel in Amsterdam binnen. De klant vroeg Clemens’ vrouw, die achter de toonbank stond, om iets dat niet in het assortiment zat, waarop hij zei: “Dus Clemens zit in de problemen.” Daarop werd Clemens geroepen. De klant bleek broeder Liguori te zijn, die inmiddels was uitgetreden en Jansen heette. Zijn eerste vraag was: “Hoe is het met die spion afgelopen?”

Bron

  • Clemens Berntsen