Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Ebbing, Bart

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Bart Ebbing (1881-1958), alias Bart van Kaat, alias Bart Kous, was ongetwijfeld de meest zonderlinge persoon die ooit in Stokkum geleefd heeft. Hij woonde het grootste gedeelte van zijn leven met zijn moeder, Kaat Ebbing (vandaar Bart van Kaat), samen in het witte huis aan het Nachtegaalslaantje in Stokkum, nu huisnummer 8. Zijn moeder runde een klein caféetje, de Nachtegaal genaamd. Hij werd ook wel Bart Kous genoemd, omdat hij zijn geld zou hebben verstopt in een oude kous. Na de dood van zijn moeder verarmde en vervuilde Bart in korte tijd. Omdat hij zo arm was, moest hij wel heel zuinig leven. Alhoewel hij een deel van zijn huisje verhuurde en hij daar wekelijks de huur van kreeg, was hij altijd platzak. Bart stond dan ook bekend als ronduit vrekkig. Zo gaf hij een jarige buurvrouw ooit een leeg Eau de Cologneflesje om in de feestvreugde te kunnen delen. Hij sprak daarbij de woorden: "A'j dit fleske vult, dan he'j lekker wat te ruuke." Ook ging hij als hij honger had wel langs bij buren, zo ging hij langs bij Mina Krus met de vraag "Mina bak eens een pannekoek voor mien"

Hij probeerde aan geld te komen door het fokken van honden, maar dat bleek ook al geen goudmijn. Hij coupeerde ze zelf met behulp van een houtklos en een bijl. Vroegere buurjongen Johan Gerritsen ziet de afgehouwen staartjes nog liggen nakronkelen.

Smokkelen deed Bart graag, maar een stroper was hij zeker niet. Kasteelheer Jan Herman van Heek zag in het huis van Bart, zo kort bij de Plantage een prima boswachterswoning, maar Bart wilde het hem niet verkopen. Van Heek liet daarop schoenmaker Wennekes het huis kopen. Bart werd heel boos toen hij begreep dat de kasteelheer hier achter zat. Van Heek gaf hem de berenrots van het voormalige Burgers Dierenpark als tijdelijk onderkomen. Jan van Heek, de zoon van Jan Herman van Heek, vertelde eens dat Bart daarin sliep in een bed met oude lappen als dekens en aardappelen eronder.

Tot overmaat van ramp verloor Bart zijn fortuin, de 20.000 gulden voor zijn woning, ergens in de buurt van het Nachtegaalslaantje. Johan Gerritsen vond de portefeuille en bracht hem die terug. Bart beloofde hem een sigaret maar die is er nooit gekomen. Een vrouw uit Gaanderen kreeg lucht van Bart zijn rijkdom. De relatie duurde tot het geld op was. Bart was er volledig ingetrapt en verhuisde, wellicht uit schaamte, naar Millingen aan de Rijn. Hij kocht een huisje, verhuurde het weer, en ging zelf in het varkenskot liggen. Als inkomstenbron fokte hij honden. Hij leefde op broodpap. Toen hij ziek werd en de familie bezorgd kwam kijken stuurde hij het bezoek weg met de woorden of ze soms meenden dat er een erfenis te halen was. Op een ochtend vond de meelhandelaar die varkensvoer kwam brengen Bart doodziek. Hij kwam in het gasthuis bij de zusters van Maria Postel in Millingen terecht, waar hij na een onverhoedse wasbeurt op 16 april 1958 overleed. De laatste centjes gingen naar de zusters. Een houten kruisje markeerde zijn graf.

Wie nu al met al meent dat hier het verhaal is beschreven van een ongelukkig man vergist zich. Bart Ebbing genoot in zijn goede dagen met volle teugen van de vrijheid.