Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Eembrugge, Anthonis van

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Geboren in een muntmeestersfamilie

Anthonis van Eembrugge was een zoon van Reinier van Eembrugge en Hadewich Arndt Anthonisdochter, en een broer van Clemens van Eembrugge. Hij was muntmeester, net als zijn vader en zijn broer. Na de dood van zijn vader in 1558 hertrouwde zijn moeder met Hendrik Hanssen, uit welk huwelijk zijn halfbroer Reinier Hanssen werd geboren. Ook Hendrik en Reinier Hanssen waren muntmeesters.

Hij trouwde rond 1570 met een dochter van Johan Bitters van Raesfeld en Catharina Fleming. Zijn schoonmoeder, die eveneens muntmeesteres was, hertrouwde na de dood van haar man met de muntmeester Johan van Schevickhaven. Samen waren zij in 1582 en 1583 muntmeesters voor Willem IV van den Bergh in Harderwijk. Zijn schoonmoeders vader Jasper en broer Johan waren eerder al muntmeester in 's-Heerenberg geweest voor de graven Oswald II en Willem IV.

De eerste vermelding van Van Eembrugge als muntmeester stamt uit 1571, toen hij korte tijd de mannelijke vertegenwoordiger was van zijn schoonmoeder Catharina Fleming in Mülheim an der Ruhr, een muntplaats in de toenmalige verenigde hertogdommen Gulik-Kleef-Berg (niet Bergh!). Hij was toen nog jong en onervaren in het muntersvak, zodat hij datzelfde jaar weer verdween.

Muntmeester in Hedel

In juni 1578 stelde Frederik van den Bergh (broer van graaf Willem IV) Van Eembrugge aan als opvolger van muntmeester Bossenhoven in Hedel. Graaf Frederik had zich Hedel (en Boxmeer) tien jaar eerder toegeëigend toen zijn broer Willem, de regerend graaf van Bergh, had moeten vluchten omdat hij zich bij Willem van Oranje had aangesloten. Een jaar later werd in het nabijgelegen Zaltbommel een nieuw stedelijk munthuis geopend, waar Van Eembrugges broer Clemens muntmeester werd. De broers hadden sowieso al een slechte relatie en werden nu ook nog directe concurrenten. Anthonis, hoewel muntmeester in Hedel, woonde in Zaltbommel, maar kreeg van de burgemeester het bevel de stad te verlaten. Ook mochten functionarissen van de Hedelse munt geen zaken meer doen in Zaltbommel.

Al snel kwamen beide munthuizen tot het inzicht dat samenwerking beter was. Hierbij speelde een rol dat graaf Willem IV in 1577 uit ballingschap was teruggekeerd en het bezit van Hedel opeiste. Zo kwamen graaf Frederik en de stad Zaltbommel overeen de Hedelse munt naar Zaltbommel te verplaatsen, zodat daar vanaf 14 februari 1580 formeel twee munthuizen in bedrijf waren (maar waarschijnlijk in dezelfde werkplaats). De samenwerking verliep stroef, en in mei 1581 moesten de muntslag korte tijd worden gestaakt vanwege een knallende ruzie tussen de gebroeders Van Eembrugge. Peter de Groot, de waardijn van de Zaltbommelse munt, heeft hen weer met elkaar kunnen verzoenen. De waardijn was een functionaris die uit naam van de muntheer (de eigenaar van het muntrecht) toezicht hield op de muntmeester (die als vrije ondernemer meer belang had in winst dan in de kwaliteit van de munten).

In deze tijd zette het centrale gezag een nieuwe stap in de strijd tegen de hagemunten. In die tijd hielden veel kleinere munthuizen (ook dat in ’s-Heerenberg) zich hiermee bezig: munten met een te laag gehalte aan edelmetaal slaan en munten van grotere munthuizen namaken. Op 12 oktober 1581 vaardigde het Hof van Gelderland een plakkaat (bevelschrift) uit dat bepaalde dat er geen edelmetaal aan de Gelderse hagemunten meer geleverd mocht worden en dat alle functionarissen op deze hagemunten hun functie binnen veertien dagen moesten neerleggen. Van Eembrugge trok zich hier niets van aan, zodat het Hof in 1582 een proces tegen hem (en ook tegen zijn broer) heeft aangespannen. Het proces heeft inderdaad plaatsgevonden, maar of Van Eembrugge veroordeeld is, kan uit de beschikbare documenten niet worden opgemaakt.

De Hedelse munt werd eind 1582 van Zaltbommel teruggebracht naar Hedel, waar Van Eembrugge nog tot 1584 muntmeester is gebleven. Hij heeft er in periode 1582–1583 dubbelspel gespeeld door clandestien ook voor graaf Willem munten te slaan. De oorlogsomstandigheden hadden graaf Willem gedwongen zijn munthuis in 's-Heerenberg te verplaatsen naar Harderwijk, waar hij Van Eembrugges schoonmoeder Catharina Fleming en haar tweede man Johan van Schevickhaven aanstelde als muntmeesters. Het bedrijfsklaar maken van de Harderwijkse muntwerkplaats kostte veel tijd en moeite, zodat de muntslag maar traag op gang kwam. Om toch resultaat te laten zien, gooide Catharina Fleming het op een akkoordje met haar schoonzoon Anthonis. Hij zal er allicht aan verdiend hebben, maar het edelmetaal dat hij voor de Harderwijkse munten gebruikte, was bedoeld voor munten van zijn werkgever graaf Frederik.

Uit augustus van dat jaar dateert een brief blijkt dat graaf Willem IV op verzoek van Catharina Fleming aan Van Eembrugge en diens vrouw een vrijgeleide had verleend voor een bezoek aan Arnhem. Zij moesten daar voor een juridische aangelegenheid zijn, en liepen gevaar daarbij gearresteerd te worden. Het goede woord dat Catharina Fleming voor Van Eembrugge en diens vrouw deed was wellicht bedoeld als een tegenprestatie voor de munten die hij in Hedel voor haar had geslagen. Dat graaf Willem het vrijgeleide heeft verleend, duidt erop dat hij heeft geweten dat Van Eembrugge in Zaltbommel munten voor hem sloeg. Waarom zou hij anders de muntmeester van zijn broer Frederik steunen?

Na terugkeer in Hedel ging Van Eembrugge een samenwerking aan met de Staatse troepen, die de heerlijkheid op dat moment in handen hadden. Deze samenwerking haalde de reputatie van de Hedelse munt als hagemunt nog verder naar beneden, en was ook een inbreuk op graaf Frederiks rechten als muntheer. Graaf Frederik, die nog steeds aan de Spaanse kant stond, heeft deze inbreuk, net als eerdere schendingen van het contract met Van Eembrugge uit 1578, enige tijd over zich heen laten gaan, maar op 30 september 1584 was de maat vol. Hij liet Van Eembrugge met zijn familie en zijn "volck" arresteren wegens valsmunterij. Frederiks ambtenaren hebben de arrestatie inderdaad kunnen uitvoeren, maar de kapitein van het Staatse garnizoen – die toevallig Hendrik van den Berg heette (zonder h) – liet de gevangenen weer vrij. Zo is Van Eembrugge de dans ontsprongen, maar het is nooit meer goedkomen tussen hem en graaf Frederik.

Veroordeeld voor valsmunterij

In Hedel en Zaltbommel heeft Van Eembrugge zich op uitgebreide schaal schuldig gemaakt aan hagemunterij. Maar Van Eembrugge heeft vooral als leider van een bende valsmunters een slechte naam gemaakt. Het was rond 1582 dat hij zich serieus met dit clandestiene werk is gaan bezighouden. Een van de bendeleden, ene Pieter Bosch, heeft hij mogelijk in Thorn leren kennen. Toen hij daar van 1574 tot 1578 muntmeester was, was Bosch daar muntgezel. Deze Bosch, die ook onder andere namen bekend stond, was met een aantal handlangers in Den Haag actief geweest en had daarna met hen een clandestiene munt ingericht bij Rhenen. Van Eembrugge heeft deze werkplaats minstens één keer bezocht, maar aannemelijk is dat hij er vaker is geweest. Hij wordt gezien als het brein achter de bende en heeft uit Hedel althans een deel van de muntstempels geleverd. Later verplaatste de bende zijn activiteiten naar Kampen en Leiden.

In de zomer van 1586 werden in Hoorn valse daalders van een nog onbekend type gesignaleerd. Het spoor leidde naar de bende van Van Eembrugge, die in oktober van dat jaar met een aantal handlangers in Enkhuizen gevangengenomen werd. Hij werd aan een stevig verhoor onderworpen, waarbij hij op de pijnbank enkele betekenissen aflegde. Op 24 maart 1587 werd hij veroordeeld. Het minste was nog dat hij een kwartier op het schavot tentoongesteld moest worden met een ketting van valse munten om zijn nek. Pijnlijker was dat zijn beide schouderbladen gebrandmerkt moesten worden, dat hij een boete van 6000 gulden en de proceskosten moest betalen, en dat hij uit Enkhuizen werd verbannen. De schout van Enkhuizen ging echter in hoger beroep bij het Hof van Holland. Voor dit proces werd Van Eembrugge overgebracht naar de gevangenis in Den Haag. Het Hof vernietigde het Enkhuizer vonnis op 3 juli 1587 en verving het door een iets mildere, maar soortgelijke straf. Hiertegen gingen de Staten van Holland in beroep bij de Hoge Raad, waarna het proces verzandde.

Het jaar 1589 stond bijna geheel in het teken van geharrewar over de juistheid en echtheid van de processtukken. In 1590 – Van Eembrugge zat nog steeds in de Haagse gevangenis – gebeurde er bijna niets, maar op 9 januari 1591 stelde de Hoge Raad voor gratie te verlenen. Dit vonden de Staten van Holland te ver gaan en besloten de rechtszaak in eigen hand te nemen. Al na een maand, op 11 februari, werd Van Eembrugge tot de galg veroordeeld en zijn bezittingen werden verbeurdverklaard. Wanneer hij is opgehangen, is niet bekend, maar dat zal vrij snel na het vonnis zijn gebeurd.

Bronnen

  • Muntheer en muntmeester. Een studie over het Berghse muntprivilege in de tweede helft der zestiende eeuw, F.B.M. Tangelder, proefschrift KU Nijmegen (1955), blz. 48, 52–57, 62–65, 90, 110–125, 149–151
  • De bende van Anthonis van Eembrugge door Cor de Graaf in: Van Solidus tot Euro. Geld in Nederland in economisch-historisch en politiek perspectief, E.H.P. Cordfunke en H. Sarfarij (red.), uitgeverij Verloren, Hilversum (2004), blz. 111–138
  • Archief Huis Bergh:
    • Inventarisnummer 1633
    • Regest 3767
    • Briefregesten 6545, 6706 en 7149
  • Munten en papiergeld
  • Duiten.nl, Zaltbommel