Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Grafelijke molens

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Grafelijke molens waren molens waar de graaf van Bergh op grond van het windrecht (ook maalrecht genoemd) zijn onderdanen verplicht hun graan liet malen. De wind die over zijn grondgebied waaide, was immers van hem. Voor de boeren betekende dit dat zij een deel van (de waarde van) hun graan als belasting aan de graaf moesten afstaan. Volgens het tiendrecht was dit een tiende deel van het aangevoerde graan.

De heren en graven van Bergh hebben meerdere dwangmolens bezeten; in Bergh, maar ook in hun bezittingen elders in het land. Toen heer Willem II in het midden van de 15e eeuw met het windrecht werd beleend, heeft hij in Bergh vier dwangmolens laten (ver)bouwen. In 1428 had hij van zijn vader Otto van der Leck al drie molens in de baronie van Breda geërfd. Zie verder de lijst hieronder.

De graaf maalde uiteraard niet zelf, maar verpachtte de molens steeds voor een aantal jaren aan een molenaar. Soms was de pachter een nieuwe molenaar, maar het kwam ook voor dat de pacht meerdere generaties van vader op zoon in de zelfde familie bleef.

Na de Franse Revolutie werden in 1798 met de invoering van de grondwet van de Bataafse Republiek, de heerlijke rechten afgeschaft. Hiermee kwam ook het windrecht te vervallen. Er werden toen vrije molens gebouwd die de concurrentie aangingen met de grafelijke molens.

De grafelijke molens waren (in alfabetische volgorde):

Ook Stevensweert had een banmolen, maar die is gebouwd net nadat de nazaten van graaf Hendrik de heerlijkheid in 1719 hadden verkocht aan Reynart Vincent, graaf van Hompesch. De molen staat bekend als de Hompesche molen.