Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Hegge, Regnerus Hendricus Franciscus

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Deze pagina vertelt het verhaal van Reinier Hegge, die van 1940 tot 1946 kapelaan was in 's-Heerenberg. Het grootste deel van die tijd heeft hij in concentratiekampen doorgebracht.

Zijn jeugd

Kapelaan Hegge op 22 juni 1945, kort voor zijn terugkeer naar Nederland

Regnerus Hendricus Franciscus Hegge werd op 14 januari 1912 geboren op de boerderij Markelhuizen in Leens, Groningen. Hij was het tweede van de acht kinderen van Harmannus Johannes Hegge en Margaretha Johanna Bos. Zijn vader was landbouwer. In 1921 verhuisde hij met zijn gezin naar een boerderij in het naburige Kloosterburen.

Reinier, zoals zijn roepnaam luidde, kon goed leren. Hij hield van de natuur en maakte notities en tekeningen van wat hij om zich heen zag. Samen met zijn oudere broer had hij thuis een donkere kamer, waar zij hun eigen foto's ontwikkelden en afdrukten.

Reinier heeft aan een groeistoornis geleden, waardoor hij erg lang is geworden, zo'n 1,90 meter. Hier heeft zijn gezondheid van te lijden gehad.

Studies en priesterjaren

Hegge ging naar het seminarie, waar hij zijn studies vlot voltooide. Op 19 juli 1936 werd hij, 24 jaar oud, in Utrecht priester gewijd. Een maand later, op 21 augustus, werd hij benoemd tot kapelaan in Gaanderen. Op 23 augustus 1940 werd hij kapelaan van de Pancratiuskerk in 's-Heerenberg als opvolger van kapelaan Visser. Hij diende onder pastoor Galama. Zijn collega-kapelaan was Marinus van Rooijen.

De Tweede Wereldoorlog

Gearresteerd

Na de oorlog heeft kapelaan Hegge een aantal tekeningen gemaakt over zijn gevangenschap. Op deze tekening zien we hem met de fiets op weg naar Wijnbergen, waar hij op de trein naar Arnhem is gestapt.

In de Tweede Wereldoorlog liet kapelaan Hegge, net als pastoor Galama en kapelaan Van Rooijen, duidelijk blijken dat hij de Nazi-leer afwees. Dit zinde de plaatselijke NSB'ers niet, en zij zochten naar een aanleiding om de drie geestelijken te laten oppakken.

Die kregen zij toen Hegge en zijn collega's tijdens de kerkdiensten van zondag 3 augustus 1941 een brief van de Nederlandse bisschoppen voorlazen. In deze brief, gedateerd 25 juli 1941, protesteerden de bisschoppen tegen een reeks van Duitse maatregelen die de greep van de NSB op het openbare leven versterkten. Bovendien had Hegge samen met Van Rooijen de brief gestencild en in de parochie laten verspreiden.

Hierop waarschuwden de 's-Heerenbergse NSB'ers de Gestapo in Emmerik, wat leidde tot de arrestatie van pastoor Galama op 4 augustus 1941 en de kapelaans Hegge en Van Rooijen op de dag daarna. Hoe dit is gebeurd, staat beschreven bij de arrestatie van pastoor Galama.

De volgende dag is Hegge met kapelaan Van Rooijen naar Arnhem gereisd. Hegge is eerst naar Wijnbergen gereden, waar hij zijn fiets bij de pastorie heeft gestald. Hij dacht hem daar 's avonds weer te kunnen ophalen. Op het station kocht hij dan ook een retourtje Arnhem.

Hoe kapelaan Van Rooijen naar Arnhem is gereisd, is niet bekend (hij is niet met Hegge naar Wijnbergen gefietst), maar de kapelaans zijn wel samen in Arnhem aangekomen. Daar zijn zij eerst naar de Eusebiuskerk zijn gegaan om te bidden. Toen zij zich daarna bij de Sicherheitsdienst meldden, werden ze meteen gearresteerd. De aanklacht die ze in het proces-verbaal te horen kregen, luidde: "Haben deutschfeindlichen Brief verbreitet und das Volk deutschfeindlich beeinflußt".

Pastoor Galama werd via een gevangenbewaarder direct op de hoogte gebracht van de arrestatie van zijn kapelaans. Zijn reactie was: "Ze weten wat ze te zeggen hebben, ik alleen ben verantwoordelijk."

Gevangenschap in Arnhem

Kapelaan Hegge werd opgesloten in cel no. 41. De volgende dag werd hij samen met kapelaan Van Rooijen overgebracht naar het gebouw van de Sicherheitsdienst aan de Utrechtsestraat om een proces-verbaal te ondertekenen. Na de ondertekening heeft hij samen met Van Rooijen een paar uur opgesloten gezeten in een cel in het SD-gebouw. Verder is hij net als zijn collega's zonder vorm van proces vastgehouden.

De detentie van kapelaan Hegge in Arnhem verliep ongeveer zoals die van pastoor Galama. Op zich was het niet al te zwaar, omdat hij voldoende te eten kreeg en niet hoefde te werken.

In Arnhem heeft kapelaan Hegge elke zondag een brief geschreven; meer was niet toegestaan. Net als kapelaan Van Rooijen richtte hij zijn brieven om en om aan zijn ouders en aan de pastorie in 's-Heerenberg. Vanwege de censuur kon hij lang niet alles opschrijven wat hij wilde, en was hij gedwongen te vertellen dat het hem goed ging. Verder kon hij het in onschuldige termen hebben over zijn dagelijkse bezigheden en vragen naar het wel en wee van familie, collega's en bekenden.

Gevangenschap in Amersfoort

Zo zag kapelaan Hegge na de oorlog de aankomst bij de poort van Kamp Amersfoort op 13 oktober 1941.

Op 9 oktober 1941 kregen de kapelaans Hegge en Van Rooijen het bevel zich gereed te houden voor transport. Twee dagen later was het zover voor Van Rooijen, terwijl Hegge op 13 oktober werd afgevoerd. Dat was een maandag, de dag waarop vanuit 's-Heerenberg de schone was werd gebracht.

Deze bewuste maandag waren pater Serrarens en pater Brouwer de koeriers, en zij zagen hoe kapelaan Hegge lopend tussen twee marechaussees de gevangenis verliet. Zij volgden de kapelaan en zijn begeleiders en kwamen aldus bij het station terecht, waar zij Hegge kort hebben kunnen spreken. Dit gesprek vond waarschijnlijk op het stationsplein of in de stationshal plaats, want uit de bronnen blijkt niet dat Serrarens en Brouwer hebben kunnen achterhalen wat Hegge's reisdoel was. Ze hebben hem nog wel zijn wasgoed kunnen geven, maar dat van kapelaan Van Rooijen, die al twee dagen weg was, hebben ze weer moeten meenemen naar 's-Heerenberg.

Een meisje uit de buurt van 's-Heerenberg dat toevallig ook op het station in Arnhem was, kreeg wel een vermoeden van kapelaan Hegge's reisdoel. Op het perron (waar de paters niet konden komen, omdat ze geen treinkaartje hadden) zag zij hoe Hegge in de trein richting Amersfoort stapte.

Inderdaad werd kapelaan Hegge overgebracht naar Kamp Amersfoort. Dit kamp, dat officieel "Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort" (PDL Amersfoort) heette, was een belangrijke verzamelplaats voor gevangenen van de Sicherheitsdienst. In 1944 heeft ook de Zeddamse verzetsman Ettema hier gevangen gezeten.

De gevangenen mochten eens per maand (dus niet eens per week, zoals in Arnhem) een brief schrijven. Ze mochten géén pakketten ontvangen, zodat ze geen extra levensmiddelen konden krijgen. Wel mochten ze per maand twintig gulden ontvangen. Dit schreef Hegge in zijn eerste brief uit Amersfoort, die zijn ouders op 25 oktober ontvingen. Zij hebben dus ruim een week in onzekerheid gezeten over de verblijfplaats van hun zoon.

Hoewel Amersfoort eigenlijk een doorgangskamp was, heeft kapelaan Hegge er ruim een jaar gezeten; van 13 oktober 1941 tot 1 februari 1943. Als priester heeft hij hier extra zwaar werk moeten doen. Zo moest hij zand dragen, maar waar andere gevangenen even konden rusten terwijl hun bak werd gevuld, moest Hegge hem zelf vullen.

Zo kreeg hij het ene zware werk na het andere, wat ertoe leidde dat hij in januari 1942 ziek werd. Hij kreeg dysenterie, maar de kamparts liet hem niet toe in de ziekenbarak. Toen hij later ook nog longontsteking kreeg, heeft ander verplegend personeel ervoor gezorgd dat hij wel opgenomen werd. Hegge herstelde en heeft zijn verblijf in de ziekenbarak kunnen rekken tot 1 december 1942.

Hoewel hij maanden in de ziekenbarak heeft doorgebracht, besteedde hij hier in zijn brieven geen aandacht aan. Op 1 oktober 1942 schreef hij zelfs: Ik maak het nog uitstekend in alle opzichten. Een maand later, in zijn brief van november 1942, vroeg Hegge aan de nieuwe pastoor Horsthuis of deze aan de heer Fassin wilde vragen een goed woordje voor hem te doen bij de Duitse autoriteiten. Hegge vergat hierbij dat Fassin weliswaar Duitser was, maar ook een fel tegenstander van Hitler. Fassin zou zichzelf in gevaar brengen als hij zou bemiddelen.

Kapelaan Hegge bleef dus gevangen zitten. Op 1 februari 1943 werd hij overgeplaatst naar het concentratiekamp Vught.

Gevangenschap in Vught

Toen kapelaan Hegge op 1 februari 1943 aankwam in Vught, was het concentratiekamp nog niet klaar. Samen met andere gevangenen moest hij helpen het kamp te bouwen. Gelukkig kreeg hij licht werk bij het aanleggen van het hekwerk rond het kamp. Hierbij kwamen de gevangenen in contact met gewone bouwvakkers (geen gevangenen), die hen enorm geholpen hebben door clandestien brieven te posten en pakketten het kamp binnen te smokkelen.

Hoewel de gevangenen maar één pakket per week mochten ontvangen, kreeg Hegge er op deze manier veel meer. Zijn oudste broer, die toen in Den Bosch woonde, zorgde voor die pakketten. In Amersfoort was hij sterk vermagerd, maar in juli 1943, na een klein halfjaar Vught, woog hij weer 82 kilo (wat met zijn 1,90 m nog aan de magere kant is). Met sinterklaas 1943 kreeg hij zelfs speculaas en een boterletter, zodat hij zich afvroeg hoe de Goedheiligman hem voor het eerst sinds 1940 weer had kunnen vinden. Was hij met een pantserwagentje het kamp binnengereden?

De indruk zou kunnen ontstaan dat kapelaan Hegge het in Vught niet zo zwaar had. Niets is minder waar. De voorzieningen waren ontoereikend, maar het meest hadden de gevangenen te lijden van de Duitse barakhoofden. Dit waren ook gevangenen, maar dan veroordeelde misdadigers. Zij oefenden een waar schrikbewind uit.

Toen het hekwerk om het kamp klaar was, kreeg Hegge een baantje op de postkamer. Daar liet hij zich clandestien hosties toesturen, wat in het voorjaar van 1944 werd ontdekt. Als straf werden Hegge en nog een aantal geestelijken overgeplaatst naar Arnhem. Ze sliepen daar in de Saksen-Weimarkazerne en overdag werkten ze op het nabijgelegen vliegveld Deelen. De weg tussen de kazerne en het vliegveld werd te voet in colonne afgelegd, waarbij gewapende SS'ers als bewakers meemarcheerden. Op een dag stond een van Hegge's zussen langs de kant van de weg. Ze was helemaal uit Kloosterburen gekomen om haar broer te zien. De SS'ers, die achteraan liepen, hebben niets van de ontmoeting gemerkt.

Na de geallieerde invasie in Normandië op 6 juni 1944 werden de SS'ers van Deelen naar het front overgeplaatst en gingen Hegge en zijn lotgenoten terug naar de hel van Vught. Daar werden, terwijl de geallieerde legers oprukten, vele gevangenen eenvoudigweg doodgeschoten. Maar de bevrijders kwamen steeds dichterbij, en toen op 5 september 1944 (Dolle Dinsdag) het gerucht ging dat ze Rotterdam hadden bereikt, werden de gevangenen in Vught in allerijl in goederenwagons gedreven en naar het oosten afgevoerd. Hierbij zijn vele doden gevallen.

Met een homp oneetbaar brood en zonder drinken, met z'n tachtigen in een wagon gepropt, werden de gevangenen drie dagen door Duitsland gereden.

Gevangenschap in Sachsenhausen

Voor veel gevangenen was het moeilijk te verdragen dat ze nooit alleen konden zijn. Op deze tekening van kapelaan Hegge zien we zijn medegevangenen tijdens hun tijdelijke verblijf in de Heinkel-vliegtuigfabriek bij Sachsenhausen. Ook je behoefte doen moest groepsgewijs gebeuren.

Op 8 september 1944 kwamen kapelaan Hegge en zijn medegevangenen aan in het concentratiekamp Sachsenhausen in Oranienburg bij Berlijn. Kapelaan Van Rooijen had hier tweeënhalf jaar eerder ook gevangen gezeten.

In het eigenlijke Sachsenhausen was geen plaats voor de onverwachte nieuwkomers uit Vught, zodat zij naar de nabijgelegen, leegstaande Heinkel-vliegtuigfabriek werden gedreven. Bij dit alles gedroeg de SS zich op beestachtige wijze. De kapot gebombardeerde fabriek was voor drie weken het nieuwe thuis voor de mannen uit Vught. Later werden ze ondergebracht in het eigenlijke Sachsenhausen.

Het leven in Sachsenhausen was zwaar. De meeste gevangenen mochten pakjes ontvangen, maar de Nederlanders niet. Met name de Noren deelden hun etenswaren weliswaar met de Nederlanders, maar toch verzwakten zij zienderogen. Na een maand was elke ziekte dodelijk.

Vanuit Sachsenhausen kon kapelaan Hegge geen brieven naar Nederland versturen, omdat de postverbindingen verbroken waren. Daarom schreef hij een brief aan pastoor H. Pieper van Freren, een plaats bij Osnabrück. Voorouders van de familie Hegge kwamen uit Freren en Hegge zelf was er in 1936 op bezoek geweest. Hij vroeg de pastoor zijn familie in Nederland op de hoogte te stellen van zijn overplaatsing naar Sachsenhausen. Hij ondertekende zijn brief met Reinhard Hegge.

Tot zijn grote verbazing kreeg hij antwoord van de pastoor van Freren. Bovendien stuurde de man hem een pakket "mooie dingen", zoals Hegge ze omschreef. Blijkbaar mochten de Nederlanders wel pakketten van Duitsers ontvangen.

Zoals in september 1944 het Kamp Vught ontruimd had moeten worden vanwege bevrijders die uit het westen oprukten, zo moest Sachsenhausen in februari 1945 worden ontruimd vanwege bevrijders die vanuit het oosten oprukten. De Russen waren in aantocht!

Gevangenschap in Bergen-Belsen

Op 5 februari 1945 werd kapelaan Hegge met het eerste transport uit Sachsenhausen overgebracht naar het concentratiekamp Bergen-Belsen ten noorden van Hannover. Hij noemde dit kamp een gruwel in 't kwadraat. Zoiets ergs had hij nog niet gezien: overal in het kamp lagen mensen te sterven. De lijken werden 's morgens met vrachtwagens opgehaald en rechtstreeks naar het crematorium gebracht. Het ging vaak om honderden lijken per dag.

Het grote aantal doden was een rechtstreeks gevolg van de erbarmelijke levensomstandigheden in het kamp. De gevangenen hoefden niet te werken, maar daar was ook alles mee gezegd. Het eten was bijna altijd koolraapsoep en de SS-bewakers gedroegen zich beestachtig. Maar meer nog hadden Hegge en zijn lotgenoten te lijden van hun barakhoofden. In dit geval waren het Russische krijgsgevangenen, soms jongens van zestien jaar.

Het is een wonder dat Hegge het concentratiekamp Bergen-Belsen heeft overleefd. Hij had diarree, pleuris, vlektyphus, paratyphus en een paar minder ernstige aandoeningen, maar hij weigerde opname in de ziekenbarak, omdat dit zijn einde zou betekenen. Gelukkig kwam de bevrijding voor hem net op tijd.

Bevrijd en terug naar Nederland

Het concentratiekamp Bergen-Belsen werd op 15 april 1945 door Britse troepen bevrijd. De gevangenen moesten noodgedwongen nog drie weken in het kamp blijven, maar de verzorging was vanaf toen veel beter. Aan eten was in ieder geval geen gebrek meer. Op 4 mei werden bevrijde gevangenen naar nabijgelegen kazernes overgebracht, waar veldhospitalen waren ingericht. De zwaksten kregen de beste plaatsen. De wat sterkeren, waaronder Hegge, kwamen in paardestallen terecht.

In de periode na de bevrijding zijn nog veel ex-gevangenen bezweken. Van de 29 Nederlandse geestelijken die op 15 april nog in het kamp zaten, zijn er 28 overleden voor ze naar Nederland konden terugkeren. Die ene overlevende was Reinier Hegge. En dat was hij maar kantjeboord.

Hegge voelde dat er iets bijzonders moest gebeuren, wilde hij overleven. En inderdaad gebeurde er iets bijzonders. Samen met twee predikanten die al een paar jaar zijn medegevangenen waren, werd hij door de Landrat van Hildesheim, een Nederlander, overgebracht naar het ziekenhuis in die plaats ten zuiden van Hannover. Een van de twee predikanten kende de Landrat persoonlijk.

De overplaatsing van Bergen-Belsen naar Hildesheim vond plaats op 12 mei 1945, de feestdag van Sint Pancratius. Kapelaan Hegge beschouwde deze dag later als zijn eigenlijke bevrijding. In het ziekenhuis van Hildesheim was de verpleging uitstekend, want Hegge kwam in de eerste twee weken daar drie kilo aan. Hij woog toen weer 59 kilo (23 kilo minder dan in Vught!)

Helaas zijn de twee predikanten in Hildesheim overleden. Cornelis Pieter Boodt stierf op 22, juist toen er bezoek was van enkele diaconessen die in het Noodziekenhuis in 's-Heerenberg hadden gewerkt. Zij waren in Duitsland op zoek naar achtergebleven Nederlanders. Een van hen, zuster Fietje, heeft over deze reis een kort verslag geschreven dat werd gepubliceerd in De Voltreffer. Een week later, op 29 juni, overleed ook de andere predikant, Johannes Versteegt. Juist die dag had kapelaan Hegge bezoek uit 's-Heerenberg van Witte Pater Op den Camp.

Cornelis Pieter Boodt werd op 25 mei 1903 geboren in Rotterdam. Het register van de Oorlogsgravenstichting vermeldt dat hij nu rust op de gemeentelijke begraafplaats Jaffa in Delft, waar hij zijn graf deelt met zijn in 1998 overleden vrouw. Johannes Versteegt werd op 10 oktober 1889 geboren in Katwijk. Hij ligt nu begraven op het Nationaal Ereveld Loenen, graf C119. In Loosdrecht, waar hij leider van het verzet was, is een straat naar hem vernoemd.

Op 30 juni begon kapelaan Hegge, als enige Nederlandse geestelijke die Bergen-Belsen overleefd heeft, in een ambulance van het Rode Kruis aan de terugreis naar Nederland. Op 1 juli 1945 passeerde hij om 18.35 bij Enschede de Nederlandse grens. De volgende dag werd hij naar een noodziekenhuis in Delft gebracht, waar hij tot 9 juli is verpleegd. Toen werd hij opgehaald door zijn heeroom en naamgenoot Reinier Hegge, die destijds pastoor en deken in Bunnik was. Uiteindelijk was hij op 18 juli terug bij zijn ouders in Kloosterburen.

De eerste vijf maanden na zijn terugkeer heeft hij bij zijn ouders doorgebracht om aan te sterken. Het Kerkblad voor Bergh van 3 augustus 1945 berichtte hierover het volgende.


Kapelaan Hegge groet zijn parochianen

Zondag j.l., 20 Juli, reisde Pastoor Horsthuis naar Kloosterburen, om er kennis te maken met zijn kapelaan, den Weleerw. Heer R. Hegge, die in het ouderlijk huis nog vier maanden zal moeten uitrusten, alvorens zijn parochiewerk te kunnen hervatten. De Pastoor was vergezeld van een rapporter, die uitvoerige aantekeningen maakte, terwijl de Kapelaan vertelde van zijn lange en wrede gevangenschap. Wegens onvoorzien plaatsgebrek kan dit verslag echter nog niet geplaatst worden. De Kapelaan laat zijn parochianen hartelijk groeten.


De reden voor bovengenoemd onvoorzien plaatsgebrek werd in dezelfde aflevering van het Kerkblad meegedeeld. Het Militair Gezag te Doetinchem had namelijk beslist dat het formaat van het Kerkblad voorlopig beperkt moest blijven. Waarschijnlijk had dit te doen met papierschaarste.

Dankprentje aan familie en vrienden

Kapelaan Hegge deelde na zijn bevrijding onderstaande prent uit aan zijn aan familie en vrienden. Op de achterkant staat een verklaring van de tekening. Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.

Zijn loopbaan na de oorlog

Bericht over pastoor Hegge's overlijden in de Leeuwarder Courant van 12 januari 1976.
Klik voor een vergroting

In januari 1946 keerde kapelaan Hegge op eigen verzoek terug in de parochie 's-Heerenberg. Dit werd groots gevierd. Om te voorkomen dat er aan heldenverering zou worden gedaan, is hij spoedig door kardinaal De Jong overgeplaatst naar Hengelo (O), waar hij op 23 augustus 1946 kapelaan werd. Zijn opvolger was kapelaan Carree.

Op 7 oktober 1955 volgde zijn benoeming tot pastoor in Musselkanaal en op 1 december 1964 werd hij tevens deken van het dekenaat Musselkanaal. Op 1 mei 1969 benoemde de bisschop Groningen hem tot pastoor van St.-Nicolaasga, waarna hij vanaf 20 juni van dat jaar ook deken van het dekenaat St.-Nicolaasga werd. Van 30 november 1965 tot 1 juli 1975 was Hegge ook kanunnik van het kathedraal kapittel van het bisdom Groningen.

Hegge was niet de eerste pastoor van Sint-Niclaasga die een band had met Bergh. Aan het eind van de negentiende eeuw was Antonius Smeenk, die werd geboren in Beek, er bouwpastoor. Van 1937 tot 1946 was Wybe Overmeer er pastoor. Hij was van 1911 tot 1914 kapelaan in Zeddam geweest.

Bij Koninklijk Besluit van 17 april 1970 werd Hegge benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Op 29 april kreeg hij de versierselen uitgereikt.

Met ingang van 1 juli 1975 kreeg hij ontslag als deken. Aan het eind van datzelfde jaar werd hij ernstig ziek en op 11 januari 1976 overleed hij in het Academisch Ziekenhuis in Groningen. Hij is op drie dagen na 64 jaar oud geworden.

Straatnamen


Bronnen

De voornaamste bronnen voor het bovenstaande zijn:

Anderen bronnen zijn: