Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Herman van den Bergh (1558-1611)

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Herman van den Bergh op zijn doodsbed met de keten van de Orde van het Gulden Vlies.
Collectie Stichting Huis Bergh, inventarisnummer 845

Geboorte en huwelijk

Herman van den Bergh was het tweede van de zestien kinderen van Willem IV van den Bergh en Maria van Nassau. Hij werd op 2 augustus 1558 geboren in 's-Heerenberg.

Zijn peetouders worden genoemd in een document (inventarisnummer 94) in het archief van Huis Bergh:

  • graeff Johan van Nassow ofwel zijn moeders broer Jan van Nassau
  • graeff Herman van Nunar ofwel Herman van Nieuwenaar (Hermann von Neuenahr), graaf van Meurs. Herman is vernoemd naar deze peetoom, die getrouwd was met Magdalena van Nassau, een oudere halfzus van zijn moeder.
  • frouwe van Alpen
  • frouwe van Brederode

Wie deze peettantes waren, is nog niet uitgezocht, maar de namen Alpen en Bredero komen beide voor in de stamboom van het geslacht Van Nieuwenaar.

Herman was veertig jaar oud toen hij in februari 1599 trouwde met de 17-jarige Maria Mencia van Wittem, markiezin van Bergen op Zoom, dochter van Johan van Wittem, heer van Beersel, en Maria Margaretha van Merode. De huwelijksplechtigheid vond plaats op het kasteel van zijn al overleden schoonvader in Beersel bij Brussel. Uit dit huwelijk werden drie dochters geboren:

Voor zijn huwelijk had graaf Herman een relatie met Elisabeth van Heeck, met wie hij een buitenechtelijke dochter had. Haar geboortedatum is niet bekend.

Zijn correspondentie en jeugd

De handtekeningen van de graven Herman, Frederik en Oswald van den Bergh en Willem Lodewijk, Jan VII en Georg van Nassau onder de hiernaast genoemde brief.
Graven van den Bergh en van Nassau aan Willem van Oranje, 7-6-1574, De correspondentie van Willem van Oranje, brief nr. 5681

Over het leven van graaf Herman is veel bekend uit zijn briefwisseling die nu in het archief van Huis Bergh ligt. De omvang van deze correspondentie is nog groter dan die van zijn vader Willem IV, waarbij vooral uit de jaren vanaf 1593 veel bewaard is gebleven. De brieven zijn geschreven in vijf talen en soms in een geheim cijferschrift. Ter vergelijking: van zijn broer Frederik is vrijwel niets bewaard gebleven.

De afbeelding hiernaast komt niet uit het archief van Huis Bergh, maar uit het Koninklijk Huisarchief in Den Haag. De namenlijst is de ondertekening van een brief uit de correspondentie van Willem van Oranje die Herman op 7 juni 1574 samen met zijn broers Frederik en Oswald, en zijn neven Willem Lodewijk, Jan VII en Georg, zoons van zijn peetoom Jan VI van Nassau, heeft geschreven op Dillenburg, het stamslot van de Nassaus in Hessen. Het is een bemoediging na de verloren Slag op de Mokerheide van 14 april 1574, waarbij zijn ooms Lodewijk en Hendrik van Nassau waren gesneuveld.

Herman, Frederik en Oswald verbleven meerdere jaren op Dillenburg, nadat hun vader in 1567 in ballingschap was gegaan. In die periode studeerde Herman ook enige tijd aan de universiteit van Heidelberg.

De Tachtigjarige Oorlog

Herman als militair

Graaf Herman was militair in de Tachtigjarige Oorlog. Over zijn eerste jaren van 1580 tot 1582 in Spaanse dienst zijn geen bijzonderheden voorhanden. In september 1582 liep hij met de rang van kolonel over naar de Staatse troepen van Willem van Oranje. Hier kreeg hij als ritmeester het commando over honderd lansiers en vijftig karabiniers Waalse troepen en was als garnizoenscommandant actief in onder meer 's-Heerenberg en Doetinchem. Hij nam deel aan de verdediging van Lochem tegen de belegering door de Spaanse veldheer Francisco Verdugo.

In september 1584 koos hij, samen met zijn vader en zijn broers Frederik en Oswald, weer de Spaanse kant. Hier maakte hij meerdere veldslagen mee. Tijdens de Slag bij Amerongen op 23 juni 1585 stond hij met zijn broer Oswald onder bevel van de Spaanse kapitein-generaal Johannes Baptiste van Taxis. Hij voerde toen met de achterhoede een beslissende aanval op de Staatse troepen uit. Een van de aanvoerders aan Staatse kant was Adolf van Nieuwenaar, een neef en tevens stiefzoon van Hermans peetoom Herman van Nieuwenaar. Een andere Staatse aanvoerder was Marten Schenck van Nideggen.

Op 17 januari 1586 raakte hij gewond in de Slag van Boksum in Friesland. Zijn broer Oswald sneuvelde in deze slag, die het hoogtepunt was van een Spaanse rooftocht door Friesland, dat toen in Staatse handen was. De Spaanse troepen wonnen, maar door invallende dooi werd het terrein zo moeilijk begaanbaar dat ze geen buit konden meenemen naar Groningen.

In 1591 verdedigde hij zonder succes Deventer tegen de belegeraar, zijn neef prins Maurits. Niet alleen moest hij de stad na tien dagen overgeven, maar bij de gevechten werd hem ook een oog uitgeschoten.

In 1595 nam hij samen met zijn broer Frederik onder de Spaanse veldheer Cristobál Mondragón deel aan het ontzet van Groenlo. Over deze militaire onderneming en ook over het beleg van Kamerijk (nu Cambrai in Noord-Frankrijk) voerde hij een correspondentie met een aantal andere Spaanse veldheren. In die jaren kon muiterij in het Spaanse leger, met name in Grave en Weert, door Hermans bemiddeling worden onderdrukt. In Weert is hij hierbij enige tijd gegijzeld geweest, maar kon voor £ 5000 worden vrijgekocht. In 1596 heroverde hij de stad Hulst; in 1603 kon mede door zijn inzet een beleg van 's-Hertogenbosch door prins Maurits worden verijdeld.

Herman als staatsman

In 1578 heeft Herman, toen amper twintig jaar oud, als plaatsvervanger van zijn vader deelgenomen aan de Gelderse Statenvergaderingen. In het jaar daarop had zijn vader al plannen over te lopen naar de Spanjaarden, maar die zijn niet uitgevoerd. Wel heeft zijn vader hem in september 1579 verboden een militair commando in het Staatse leger aan te nemen.

In 1593 volgde hij Karel van Arenberg op als stadhouder van Spaans Gelre. Na het ontzet van Groenlo in 1595 was hij daar veel op zijn post in Roermond en Venlo. Hoewel dit grensgewest stevig in Spaanse handen was, heeft hij zich veel met militaire aangelegenheden moeten bezighouden om het voor Spanje veilig te stellen. Vele hooggeplaatste functionarissen, tot aan landvoogd Albert en landvoogdes Isabella in Brussel toe, hebben hem geprezen voor de kundige en dappere wijze waarop hij dit gedaan heeft. Hij was steeds op de hoogte van de bewegingen van de vijand, en hij kom met succes konvooien voor eigen bevoorrading organiseren en dekking geven. Hij bleef stadhouder van Spaanse Gelre tot zijn dood in 1611. Zijn broer Frederik volgde hem toen op.

In 1601 werd hij voor zijn verdiensten door de koning van Spanje opgenomen in de Orde van het Gulden Vlies.

Het proces Mechteld ten Ham

Tijdens het proces tegen Mechteld ten Ham in 1605 verbleef graaf Herman in Venlo. Zijn vertegenwoordiger in 's-Heerenberg was de landdrost Hendrick van Zuylen.

Vanuit Venlo scheef hij dat men gehoor moest geven aan het verzoek van Mechteld om de waterproef te ondergaan. Ook schreef hij dat de zaak zo snel mogelijk afgehandeld moest worden om al te hoge kosten te vermijden.

Zijn laatste levensjaren

Na het ingaan van het Twaalfjarig Bestand in 1609 kreeg graaf Herman gelegenheid zich weer met zijn eigen bezittingen bezig te houden. Door zijn huwelijk met Maria Mencia van Wittem tien jaar eerder was hij markies van Bergen op Zoom geworden. Dit gebied was in Staatse handen, maar werd nu onder de bepalingen van het Bestand teruggegeven. Herman gaf zijn raadsheer mr. Reynier van Rijswijck opdracht het markiezaat op 19 juni 1609 voor hem in bezit te nemen. Daarna hielden markiezin Maria Mencia en graaf Herman op 22 oktober hun Blijde Inkomst in de stad Bergen op Zoom. Zes dagen later deden zij hetzelfde in het nabijgelegen Oudenbosch.

In 1610 vertrok hij met zijn vrouw naar Huis Bergh, dat zware oorlogsschade had opgelopen. De rust van het Twaalfjarig Bestand gaf hem gelegenheid het kasteel te restaureren en uit te breiden. De muurankers in de voorgevel van het hoofdgebouw herinneren aan het werk dat hij heeft laten uitvoeren:

H(ERMAN) G(RAAF) Z(U) D(EM) B(ERGH) M(ARIA) M(ARKIEZIN) V(AN) B(ERGEN)

De muurankers in de buitenmuur van het rentmeestershuis verwijzen alleen naar zijn vrouw:

M(ARIA) G(RAVIN) Z(U) D(EM) B(ERGH) M(ARKIEZIN) Z(U) B(ERGEN) O(P) Z(OOM)

Zijn overlijden

Al tijdens de restauratiewerkzaamheden in 's-Heerenberg liet zijn gezondheid te wensen over. Om te herstellen vertrok hij naar de geneeskrachtige bronnen van Spa in de Ardennen, maar dit heeft niet mogen baten. Hij logeerde in de herberg Im Vergulde Lew, waar hij al op sterven lag toen zijn vrouw, zijn behandelend arts en een jezuïet lang met hem hebben gepraat om hem over te halen zijn testament te herzien. In dit testament (opgemaakt op 21 augustus 1610, drie dagen voor de geboorte van Maria Elisabeth Clara) benoemde hij niet zijn toen nog ongeboren kind, maar zijn broer Frederik (of, indien overleden, diens oudste zoon) tot zijn erfgenaam. Toen zijn vrouw beloofde in te treden in een klooster in Keulen, en dus nooit te zullen hertrouwen, stemde hij in. Zijn dochter en het kind waarvan zijn vrouw op dat moment zwanger was, werden zijn erfgenamen. Hij ondertekende het betreffende codicil in de namiddag van 11 augustus 1611. Rond 4 uur in de nacht van 12 augustus overleed hij.

Zijn dochter Juliana vertelde na zijn overlijden in een brief, dat zijn artsen zijn lichaam hebben gebalsemd en daarbij afwijkingen aan hart, maag en milt hadden vastgesteld. Zijn stoffelijk overschot werd op 5 september bijgezet in het familiegraf van zijn schoonfamilie in Eigenbrakel bij Brussel.

Zijn hart werd in Spa begraven. Dit blijkt uit de tekst die later is bijgeschreven op het document dat hierboven onder de kop Geboorte en huwelijk wordt genoemd. De toegevoegde tekst luidt:

Obiit a° 1611 den 12 Augusti, en waer
Friedagh, styllo novo, des 's morgens tushen
3 und 4 uhren, toe Spade im Vergulde Lew;
dat licham te Brandeloe, ende sein hart
thoe Spade begraven des zile Godt

(Brandeloe is een vernederlandsing van Braine-l'Alleud, de Franse naam van Eigenbrakel.)

Varia

In 's-Heerenberg is de Graaf Hermanstraat naar hem genoemd,

Bronnen