Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Hollandse Missie

Uit Berghapedia
(Doorverwezen vanaf Hollandse Zending)
Ga naar: navigatie, zoeken

Historische achtergrond

De Hollandse Missie of Hollandse Zending is de benaming van de Rooms-katholieke Kerk in de Nederlanden ten noorden van de Waal van 1592 tot 1853.

Het ontstaan

Als gevolg van de Reformatie in zestiende eeuw kon de Katholieke Kerk in Noord-Europa steeds moeilijker functioneren. Dit gold ook voor de Noordelijke Nederlanden. Het feit dat Willem van Oranje en de andere leiders van de opstand tegen Spanje calvinisten waren, speelde hierbij een belangrijke rol. Toen dan in 1580 de aartsbisschop van Utrecht overleed, benoemde paus Gregorius XIII geen opvolger, maar stelde wat later, in 1583, als voorlopige oplossing een apostolisch vicaris aan. De Nederlandse kerkprovincie degradeerde daarmee van volwaardig bisdom tot bisdom-in-wording ofwel apostolisch vicariaat. Het was in de organisatie van de Kerk een missiegebied geworden. De apostolisch vicaris was er wel de hoogste geestelijke, maar had geen eigen macht en kon slechts op gezag van de paus handelen.

In 1581 werd de openbare belijdenis van het katholieke geloof verboden. Toen daarna duidelijk werd dat de calvinistische opstandelingen de strijd tegen Spanje gingen winnen, zag paus Clemens VIII zich in 1592 gedwongen de post van de apostolisch vicaris te formaliseren. De Nederlanden ten noorden van de Waal werden daarmee officieel een missiegebied, waarin geen volwaardige kerkelijke organisatie met een bisschoppelijke hiërarchie meer bestond.

Aartspriesters en andere functionarissen

In 1622 werd door paus Gregorius XV de Congregatio de Propaganda Fide opgericht, een grote missiecentrale die in het Nederlands Congregatie voor de Voortplanting van het Geloof heette. De Missio Hollandica ofwel de Hollandse Missie kwam onder rechtstreeks gezag van deze Congregatie te staan, waarmee de apostolisch vicaris direct ondergeschikt werd aan de nuntius (de diplomatiek vertegenwoordiger van de paus) in Brussel. In 1727 verviel de post van apostolisch vicaris en kwam de Hollandse Missie onder rechtstreeks bestuur van de nuntius in Brussel. Hij droeg in deze functie de titel superior en vanaf 1795 de titel vice-superior. Vanaf 1829 zetelde de vice-superior als internuntius in Den Haag.

De Hollandse Missie was onderverdeeld in aartspriesterdommen, die soms maar lang niet altijd de grenzen van de oude bisdommen volgden. Aan de leiding van zo'n district stond een aartspriester. De taken van een aartspriester waren vrij beperkt, maar namen toe nadat in 1727 de post van apostolisch vicaris was vervallen en de Hollandse Missie onder rechtstreeks bestuur kwam van de nuntius in Brussel.

Hoewel de Hollandse Missie qua organisatie op een kerkprovincie leek, was dit in kerkrechtelijke zin niet zo. De Hollandse Missie had geen bezittingen, want die waren naar de protestanten overgegaan. De oude parochies waren daarom (althans in de ogen van de apostolisch vicaris en de aartspriesters) geen parochies, maar missiestaties, en hun priesters waren daarom geen pastoors. Niet iedereen was het met deze redenering eens, en ook hier op de Berghapedia worden pastoors uit de tijd van de Hollandse Missie gewoon pastoors genoemd. Dit echter om niet om ideologische, maar om praktische redenen.

De priesters voor de Hollandse Missie moesten lange tijd noodgedwongen buiten Nederland opgeleid worden. Dit gebeurde veelal in Leuven. Nadat de Fransen het seminarie en de universiteit daar in 1797 hadden gesloten, werden er in de Hollandse Missie twee grootseminaries gesticht, in Warmond en in 's- Heerenberg. Dit was mogelijk omdat er kort tevoren, in 1795, onder invloed van de Franse Revolutie godsdienstvrijheid was afgekondigd.

Bisschop Van Wijckersloot

Als eerste stap naar het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland werd in 1833 C.L. baron van Wijckersloot (1786-1851) benoemd tot bisschop in de Hollandse Missie. Hierdoor konden er voor het eerst sinds het einde van de zestiende eeuw weer bisschoppelijke taken in Nederland verricht worden, zoals het Heilig Vormsel toedienen, kerken inwijden en priesters wijden. Onder de priesters die bisschop Van Wijckersloot gewijd heeft, was in 1843 Henricus Meurs, die in 1867 de eerste pastoor van Azewijn werd. Van Wijckersloot had wel de taken, maar niet de bestuursmacht van een bisschop, en was ondergeschikt aan de vice-superior in Den Haag.

Van Wijckersloot had weliswaar zijn standplaats in de Hollandse Missie, maar dit was niet zijn bisdom (het was immers een apostolisch vicariaat). Om dit gemis te compenseren, was hij, net als andere bisschoppen zonder eigen bisdom, titulair bisschop van een bisdom dat ooit bestaan had, maar voor de Rooms-katholieke Kerk verloren was gegaan. Dit werd aangegeven door de toevoeging in partibus infidelium (in het land der ongelovigen). Van Wijckersloot was aldus titulair bisschop van Curium in partibus infidelium (het huidige Kourion op Cyprus). Naar het gebruik van die tijd werden titulair bisschoppen vaak naar hun verre bisdom genoemd, en zo sprak of schreef men over Curium als men het over Van Wijckersloot had. In bijvoorbeeld het parochiearchief van Azewijn komt hij onder de naam Curium voor.

Herstel van de bisschoppelijke hiërarchie

In 1853 herstelde paus Pius IX de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland, en kwam er een einde aan de Hollandse Missie. Naast het aartsbisdom Utrecht kwamen er vier andere bisdommen: Haarlem, 's-Hertogenbosch, Breda en Roermond. De bisdommen Groningen en Rotterdam werden pas in 1956 gevormd.

Gebiedsindeling

De Hollandse Missie besloeg het gebied ten noorden van de Waal. Grote delen van de huidige provincies Noord-Brabant en Limburg stonden destijds wel onder gezag van de Republiek der Verenigde Nederlanden, maar omdat de bevolking katholiek was gebleven, hoorde het gebied kerkelijk bij het bisdom Mechelen.

Het gebied ten noorden van de Waal was onderverdeeld in aartspriesterdommen (ook aartspriesterdistricten of aartspriesterschappen genoemd). Aanvankelijk waren er zeventien of nog meer, maar het grootste deel van de achttiende eeuw waren het er negen. De grootste daling in aantal was een gevolg van de samenvoeging van alle aartspriesterdommen in het westen van het land tot één groot district.

De aartspriesterdommen waren:

  1. Holland, Zeeland en West-Friesland
  2. Utrecht
  3. Gelderland
  4. Twente
  5. Salland-Drente
  6. Groningen
  7. Friesland
  8. Kleef-Bergh
  9. Lingen

Het aartspriesterdom Kleef-Bergh

Uit voorgaande lijst blijkt dat de Hollandse Missie niet samenviel met de grenzen van wat toen Nederland was. Het gebied ten zuiden van de Waal hoorde er zoals reeds vermeld niet bij, maar omgekeerd hoorden gebieden die nooit Nederlands waren geweest er wél bij. Het aartspriesterdom Lingen lag niet alleen geheel buiten Nederland, het grensde er zelfs niet aan. Het was een graafschap dat van 1632 tot 1702 bezit van de Oranjes was, en het hoorde tot 1788 bij de Hollandse Missie. In dat jaar werd het overgeheveld naar het Apostolisches Vikariat des Nordens, dat de voormalige Noord-Duitse bisdommen omvatte (en soms ook delen van Scandinavië).

Het aartspriesterdom Kleef-Bergh was het gebied van de voormalige proosdij van Emmerik. Het omvatte Bergh, de Kleefse enclaves en de parochies Emmerik, Elten, Griethuizen en Kellen. Bergh en de Kleefse enclaves werden in 1808 bij het aartspriesterdom Gelderland gevoegd. Het resterende dwerg-aartspriesterdom Emmerik, slechts bestaande uit de vier genoemde parochies, werd in 1821 uit de Hollandse Missie gelicht en toegevoegd aan het bisdom Münster.

De naam van het aartspriesterdom Kleef-Bergh kan tot verwarring leiden. Weliswaar bestond het voor een groot deel uit bezittingen van het hertogdom Kleef, maar de stad Kleef zelf maakte er geen deel van uit. Verder zijn er bronnen die spreken van Kleef-Berg, zonder h. Hierdoor kan verwarring ontstaan met het (groot)hertogdom Berg, dat ook vlak bij Kleef lag.

Over het aartspriesterdom Kleef-Bergh is niet zo veel bekend, omdat zijn archief verloren is gegaan, althans de verblijfplaats ervan niet bekend is. Wel zijn er enkele stukken te vinden in andere archieven, zoals dat van de vice-superior. De eerste negen jaren van het archief van het seminarie in 's-Heerenberg zijn in Kleef-Bergh gevormd, namelijk van de oprichting van het seminarie in 1799 tot de opheffing van het aartspriesterdom in 1808.

Berghse aartspriesters

Twee Zeddamse pastoors zijn later aartspriester geworden:

Bronnen

  • Inventaris van de archieven van de aartspriesters van de Hollandse Zending (1684) 1726-1853 (1927), H.L.Ph. Leeuwenberg en A.M.A. van Geloven, Inventarissenreeks van het Rijksarchief Utrecht, nr. 16 (1982)
  • Wikipedia
  • Bergh; Heren, Land en Volk, blz. 240-248