Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Interview Joep Venes

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

De inval

Op 10-05-1940 rukten de Duitsers via de Gendringseweg, 's-Heerenberg en Netterden op in de richting van ons dorp. In het begin dachten we nog dat het Nederlandse soldaten waren. De militairen die door ons dorp trokken, werden door sommigen van onze dorpsbewoners vriendelijk begroet. Zo gebeurde dit ook met Jan Garritsen, die trouwens nog maar één arm had, als gevolg van een ongeluk. Via de Gendringseweg trokken ze richting Klein-Azewijn. De schoolkinderen hebben daar destijds weinig van meegekregen, omdat het nog te vroeg was. De Duitsers ondervonden weinig tegenstand onderweg. De mensen wisten domweg niet wat er aan de hand was. Als ze hadden gezien, wat ik voor de oorlog had gezien, toen ik eens in Kevelaer was, dan hadden ze het wellicht geweten. De oorlog kondigde zich toen al aan. In de straten zagen wij de Hitlerjugend marcheren.

De N.S.B.ers hadden klaarblijkelijk al een hoop voorwerk verricht, want de Duitsers wisten ons land op vrij eenvoudige wijze binnen enkele dagen onder de voet te lopen. Maar de zender, die hier in Azewijn in de voormalige kleuterschool verborgen was, kregen ze niet te pakken. De Nederlandse soldaten hadden die zender al lang in de Laak gegooid. In de jaren zeventig, toen ik nog wethouder was, heb ik aan de toenmalige burgemeester van Bremen het voorstel gedaan, om de Laak eens goed schoon te laten maken. Het was een droge zomer en het leek een geschikt tijdstip om dit eens te laten doen. Ik heb toen nog een stille hoop gehad, dat ze de zender terug zouden vinden. Dit gebeurde echter niet. Voordat loonwerker Soeter met deze werkzaamheden begon, heb ik nog wel een kaarsje opgestoken in de kerk, omdat ik als de dood was, dat er zich nog granaten of ander explosief materiaal in de Laak bevond. Alles ging echter goed, zodat ik ook nog een kaarsje uit dankbaarheid kon laten branden.

Inkwartiering

Later kregen we pas inkwartiering in ons dorp, dat in die tijd 75 gezinnen telde met een totaal aantal inwoners van 700. Van deze Wehrmachtsoldaten hebben we in ons dorp relatief weinig last gehad. Deze mensen waren vaak zelf ook helemaal niet blij met de oorlog en hoopten zo snel mogelijk weer terug te kunnen keren naar hun eigen land. Ook de kinderen hadden er eigenlijk geen last van. Van de overvliegende bommenwerpers hebben ze in het begin wellicht wel wakker gelegen, maar later sliepen ze gewoon door het monotone gebrom heen. De Duitsers die ingekwartierd waren vreesden, dat het gehele Ruhrgebied van de landkaart zou worden weggevaagd. Wij jongeren keken vaak gefascineerd naar de luchtgevechten die zich aan de nachtelijke hemel voltrokken. Bij Clé Berntsen was er een zogenaamde "Schreibstube" ingericht. Ik herinner me nog dat ik me daar bij de Duitsers moest melden en dat ik meester Hondtong meenam, die immers veel beter Duits sprak dan ik. Toen we binnen kwamen snauwden de Duitsers: "Wer ist dieser Kerl?". Wat ik zo goed mogelijk uitlegde.

Ze eisten voor de ingekwartierde soldaten "ein Rind und Bettzeug für 15 leute" voor de inkwartiering van hun officieren. Ook eisten ze een aantal "mantelpotten" (grote stenen potten van een meter bij een meter ) om op drie plaatsen in het dorp de was mee te koken. In Azewijn was er in die tijd een crisiscomité opgericht. Zelf zat ik toen bij de voedselvoorziening. Zo moest ik eens een varken gaan opeisen voor de Duitsers bij de familie Kock in Wijnbergen. Fons te Wiel moest hiervan een briefje maken, zodat het varken werd afgeschreven en Kock zijn geld kreeg. Doordat ik tussen twee vuren inzat, kon ik nog wel eens iets voor onze eigen mensen regelen. Zo vroegen de Duitsers ook om veren bedden, die we ze snel bezorgden.

De bevrijding nadert

Ook moest er vaak hout gehaald worden op karren, in opdracht van de Duitsers. Toen de Tommies deze karren echter met de regelmaat van de klok begonnen te beschieten, heb ik daar op de Schreibstube over geklaagd. Eerst zonder resultaat, maar toen de geschiedenis zich herhaalde klonk het Duitse bevel: "Heute wird nicht mehr gefahren". Het houttransport vond voortaan 's nachts plaats. Het hout was nodig voor de aanleg van loopgraven. Later tegen het einde van de bezetting werd de situatie hachelijker. Toen de knecht van bakker Berntsen, Piet Janssen uit Stokkum, buiten aan het harken was, werd hij getroffen door een kettingbom. Ook Gusta Alofs kreeg een scherf in haar long, zij overleefde echter het ongeluk. Wij moesten 's nachts naar het ziekenhuis in Doetinchem. De gewonden moesten verzorgd worden. Te Dorsthorst de veldwachter ging met mij mee.

Ik herinner me nog goed dat het in het ziekenhuis een chaos van jewelste was. Je kon de operatiekamers zo maar oplopen en het was er besmeurd met bloed. Piet Jansen was toen al overleden. Toen we terug gingen naar Azewijn werden we aan de Vethuizenseweg door de Duitsers aangehouden met de vraag wat we daar moesten. Toen we uitlegden dat we naar het ziekenhuis waren geweest, mochten we er door. Ik weet nog als de dag van gisteren, dat het volle maan was en een mooie heldere nacht.

Toen we in Azewijn aankwamen hebben we bij de bakker nog roggebrood gegeten. De mensen uit Azewijn leden geen gebrek. Er was voldoende brood te verkrijgen en doordat er vaak clandestien werd geslacht was er ook regelmatig een stukje vlees of spek. Het werd wel schaarser toen de Organisation Todt (O.T.) mensen uit de Betuwe te werk stelde om loopgraven te graven. Ik herinner me nog, dat we net een varken hadden geslacht (het hing net aan de haak) en dat er mensen van de NSKK (Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps) langskwamen. Ik heb toen het varken in een "koedek" gerold en in de wortelenkuil verstopt. 's Middags heb ik het varken in stukken gesneden en op de fiets naar verschillende adressen gebracht. De Azemse bevolking trachtte zo goed mogelijk te zorgen voor de evacués. De familie Jolink was zo'n gezin. Zelf had het gezin een flink aantal kinderen, daar kwamen dan nog eens de evacués bij. Deze kinderen werden verdeeld "over de buurt" omdat er anders niet genoeg ruimte zou zijn.

Pastoor Büter hebben we meerdere malen moeten vragen om wat minder anti-Duits te preken. We waren bang, dat met hem hetzelfde zou gebeuren als in 's-Heerenberg met Galama en Van Rooyen was gebeurd. Hij trok er zich niet al te veel van aan. Toch kragen we regelmatig bezoek van een NSB-verklikker in de kerk, die moest controleren wat onze pastoor zei in zijn preek. Toen de Duitsers op het einde van de oorlog voorvoelden, dat het gedaan was met hun heerschappij, staken ze de kerk in brand. Toen de kerk brandde was het een grote vuurtoren. Ook de kleuterschool stond in brand. De pastorie hebben we kunnen redden. De mensen klommen op het dak om het vuur, afkomstig van de brandende toren, dat op hun boerderijen terecht kwam, te doven.

Bij Lies Jolink in Vethuizen achtten de vertrekkende Duitsers het nodig om de complete voorraad aan weckflessen stuk te gooien. Ondertussen zaten de varkens bij Hooyman aan het spek van hun eigen soortgenoten te eten. De Tommies waren op dat moment al in Etten, maar ook in Netterden, zodat de Duitsers het behoorlijk benauwd kregen. De ruiten van de school werden kapotgeschoten op de plaats waar zich nu de gymzaal bevindt. Vaak was ik met veldwachter Te Dorsthorst op pad om her en der hand- en spandiensten te verrichten. Alle problemen waren zo goed als opgelost, toen de veldwachter vlak voor de bevrijding zijn horloge kwijtraakte. We zijn nog lang bezig geweest het klokje terug te vinden, maar tevergeefs. Toch is dit schijnbare detail me altijd bijgebleven.

De Tommies trokken over de Dam ons dorp binnen bij de bevrijding. Op andere plaatsen lagen vaak nog mijnen, zodat dat veel te gevaarlijk was. Kort daarop begonnen de bevrijdingsfeesten en iedereen was in een uitgelaten stemming en het culturele leven werd weer nieuw leven ingeblazen. De Tweede Wereldoorlog was afgelopen!

Bron