Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Interview met Jan Tervoert

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Oorlogsherinneringen van Jan Tervoert te Zeddam, verteld in een interview op donderdagavond 15 december 1994 te Zeddam


De inval

Ik was elf toen de oorlog begon. 's Morgens werden we heel vroeg wakker. Overal Duitse vliegtuigen in de lucht en soldaten op de weg. Meteen werd de radio aangezet. We hoorden over de gevechten bij Rotterdam, in de Lopikerwaard en op de Grebbeberg. Hier tegenover, bij Ruimzicht (Bömer) waren wegversperringen opgericht, de zogenaamde asperge-versperringen. Die hielden het paardenvolk even tegen, maar ze hadden natuurlijk al snel een andere weg gevonden. Er was allang geen Nederlandse soldaat meer te zien. 's Middags werden deze versperringen al weggehaald. De meeste indruk maakten de Duitsers die in hun soort gepantserde jeeps over de weg richting Doetinchem reden.

We hadden al meteen de pest aan deze indringers. Ik zat in Doetinchem op de lagere school. We waren thuis christelijk en daarom moest ik naar Doetinchem. Het was wel een openbare school, de Plantsoenschool tegenover het oude Wilhelmina-ziekenhuis. Ik zat in de vierde of vijfde klas en al voordat de oorlog was begonnen was er al een soort haat, broeide er al wat. Tijdens de geschiedenisles werd heel simpel de situatie in Europa al wat besproken en ook bij mij in de klas zaten jongens en meisjes waarvan de ouders bij de NSB zaten. Het verschil tussen deze jongeren en de 'oranje-gezinden' was al merkbaar.

Tijdens de invasie hadden we een aantal dagen vrij. Toen we daarna weer op school kwamen, kregen we te maken met de ellende van gesneuvelde vaders van klasgenoten. Ook de vader van mijn vriend, waar ik naast in dezelfde bank zat, was gesneuveld. Dit alles voedde de haat nog meer. In de Boliestraat in Doetinchem (waar nu de Chinees zit) zat een winkeltje van 'Herrijzend Nederland'. Daar kochten we dan zegeltjes die we achter op onze fiets plakten. Toen de eerste jongeren in NSB-uniform op school verschenen werd het verschil en de strijd alleen maar erger. Zo vormde een Doetinchemmer, Paul Mulder, die een aantal klassen hoger zat, zelfs een soort legertje dat marcheerde over de speelplaats. Hij had als wapen een gordijnroe. Ze wilden de oranje-gezinden beschermen en lokte vechtpartijen met de NSB-jongeren uit. Later werd dat door het onderwijzend personeel aangepakt. Met de overwinningen van de Duitsers voelden zich deze NSB jongeren ook steeds sterker worden. Ze trokken de plakplaatjes van onze fietsen. Wat me opviel was dat de jongeren die bij de NSB wilden horen niet tot de intelligenste van de school behoorden. Hoewel we ook wel het idee hadden dat ze een heleboel deden onder druk van thuis.

In Doetinchem werd feller op de NSBers gereageerd dan hier in Zeddam. Ik kan me nog herinneren dat er op de kermissen altijd een bedompte sfeer hing. Waarschijnlijk door de vele NSB'ers die dan uit de hele omgeving hier naar toe kwamen. Er waren fanatiekelingen (controleur Goris bijvoorbeeld) en mensen die meegaand waren. Boer Kersjes was een ontwikkeld iemand die wel de Nazi-ideologie aanhing, maar daarnaast heel veel voor anderen heeft gedaan. Hij kon politiek en het praktische leven op de een of andere manier goed scheiden.

Op de Mulo en de HBS

In 1942 kwam ik van de lagere school en ging naar de Mulo. Daar waren waarschijnlijk de Duitsgezinden uitgeselecteerd, want er zat er geen een op school. Later toen ik naar de HBS ging, was dat contrast er wel weer. Thuis werd ons op het hart gedrukt dat we de mond moesten houden over politiek en de NSB en wat er thuis gebeurde. Ik had wel idee wat er gebeurde, zonder het fijne ervan te weten. Dat er mensen werden geholpen, clandestien werd gedorst, geslacht enz. Toen ik in 1944 in de tweede klas van de HBS zat en nogal flink van postuur was, vond men het thuis beter dat ik onder een andere naam over straat ging. Ik kreeg daarvoor valse papieren.

Een paar dagen na D-day werd er een razzia op school gehouden. Ik ging tussen de middag meestal bij Wieringa eten die op een woonboot op de IJssel woonde. Ze waren toen net de IJssel uit aan het diepen en er was altijd een hoop volk. Die hadden eten nodig en ik nam vaak wat melk of van de 8-ponden roggebroden mee. Ik verstopte ze onder mijn schoolboeken. Gecontroleerd werd ik als jongen nooit.

Op school bleek onder andere de zoon van Jan Pas van Bergia uit Zeddam te zijn opgepakt. Hij zat in de vijfde van de HBS, in het examenjaar. Hij heeft waarschijnlijk ook in het verzet gezeten. Hierdoor geschrokken liep 's middags de hele school leeg, behalve een aantal meisjes. Later werden we gebeld dat de kust weer veilig was, maar het schoolleven werd erg onregelmatig. In de herfst van 1944 moesten we uit onze school (tegenover Ratio, waar nu parkeerplaats is) en kregen we les in de daar tegenover gelegen herenhuizen. Een paar maanden later gingen we helemaal niet meer naar school.

Met name door de luchtlanding bij Arnhem werd het steeds gevaarlijker om over de weg te fietsen. Toen we een keer bezig waren op het aardappelveld werden er op de weg ernaast Duitse auto's in brand geschoten. Later werd er zelfs op boerenkarren geschoten, omdat ze dachten dat daarmee oorlogsmateriaal werd vervoerd. We konden daar ook soms de luchtgevechten gadeslaan en telden de vliegtuigen die werden neergeschoten. Zoveel geallieerden, zoveel Duitsers. Iedere keer wanneer er een Duitser naar beneden werd gehaald klonk er een hoera!

Gebeurtenissen thuis

We luisterden thuis ook zoveel mogelijk naar de radio. We hadden van Palm een voor die tijd moderne radio gekocht met UKW. Toen in 1943 de radio's moesten worden ingeleverd stond bij ons op zolder nog de oude radio. Die moest eerst nog door Palm weer aan de praat worden gemaakt en op de handkar heeft mijn vader hem naar het oude parochiehuis gebracht. De controleur die daar zat, met nog een aantal anderen, zei: "En waar is de andere, goeie radio?" Mijn vader antwoordde dat hij zijn plicht had gedaan en geen andere radio in bezit had en ze verder dus niet moesten zeuren. De controleur was wel iemand van de 'goeie' kant die waarschijnlijk over wilde komen als een goede NSB'er. Thuisgekomen heeft mijn vader meteen de nieuwe radio in een soort waterafstotend papier gepakt en de eerste tijd onder de rabarberbladen in de moestuin gezet. Er is nooit meer naar gekeken. Wel werden er af en toe huiszoekingen gedaan, maar dan meestal onder het mom van het tegengaan van de zwarte handel. Maar er werd dan natuurlijk ook wel meteen op andere zaken gelet. Het is misschien raar, maar als kind ben ik eigenlijk nooit bang geweest. Misschien kwam dat door de haat.

Toen Zeddam onder granaatvuur kwam te liggen, waren we op de deel aan het dorsen. Aan het geluid van de granaten konden we horen hoever ze ongeveer kwamen. Dan zeiden we, laten we maar gewoon doorgaan. We leefden er gewoon mee door. Het bedrijf moest en ging door. Wel natuurlijk moest er vee en andere produkten ingeleverd worden bij de Duitsers. Mijn vader was altijd bezig om de zaak te belazeren. Niet voor de zwarte handel. Hij heeft nooit spullen duur verkocht aan mensen, vooral uit het westen die hier naar toe kwamen. Gewoon altijd voor de normale prijs. Midden in de nacht reden we met een vracht haver naar Hummelo om die daar te laten pletten. Die geplette haver werd dan in zakken afgewogen en aan de mensen verkocht die hier aan de deur kwamen. Ze wilden vaak ruilen, maar wat hadden wij eraan. We namen wat geld en dan was het goed.

Inkwartiering

In de herfst van 1944 wordt onze hele boerderij door de Duitsers gevorderd. Duitse soldaten die bij Arnhem hadden gevochten werden hier gelegerd. Ze gingen soms weer terug om zogenaamd 'Einkaufen zu machen'. In wezen werden alle huizen in Arnhem door hen leeggeplunderd. In een schuur, hier in het veld, werd een timmerwerkplaats gemaakt. Daar werden grote kisten vervaardigd waarin alle gestolen spullen werden gestopt, die dan weer door de Feldpost naar huis (Duitsland of Oostenrijk) werd gestuurd.

Die Duitse soldaten werden hier behoorlijk vetgemest. Ze vorderden tonnetjes boter bij de zuivelfabriek. Alles wat ze nodig dachten te hebben werd gevorderd. Soms waren ze dronken en dan schoten ze in het wilde weg. Er kwamen animeermeisjes, voornamelijk van de Braamtse hei, van 17, 18 jaar oud. Die kregen daarvoor in ruil weer allerlei levensmiddelen, waarmee ze dan weer hun familie konden onderhouden.

Op vaste tijden werd er ook altijd zoveel mogelijk naar de radio geluisterd. Niet te hard natuurlijk en wel naar verschillende zenders. In de keuken werd de radio dan gewoon op tafel gezet. Iemand zat dan in de voorkamer op de uitkijk. Toen we Duitsers in huis hadden brachten die zelf hun radio's mee. Daarmee mochten we zelfs, vooral op het laatst, naar de Engelse radio luisteren. "Wat zegt de Engelsman?", vroegen ze dan aan ons.

Er zaten ook jonge jongens bij die er de balen van hadden. Vooral toen ze in de gaten hadden gekregen dat het een verloren strijd was. Een chauffeur uit Bocholt, die altijd een hoge officier moest rijden, vertelde ons dat hij altijd twintig liter benzine onder de achterbank van zijn auto had liggen. Daar kon hij 160 km mee komen. "Daarmee kom ik altijd wel thuis in Bocholt", zei hij. Ze moesten ook niks meer van Hitler hebben. Later kwamen er weer SS'ers, dat was slechter volk.

We hebben ook genoeg mensen geholpen. Op de een of andere manier was mijn vader in contact gekomen met bakker Toon Linssen, uit 's-Heerenberg (had een bakkerij in Marktstraat tegenover Heitkamp). Waarschijnlijk via Brinks, die de 'voedselcommissaris van Gelderland' werd genoemd omdat hij op het meldbureau werkte, waar mensen goederen moesten brengen en die daar dan weer werden verdeeld. Toon Linssen moest roggemeel hebben. Maar ja, dat moest eerst -clandestien- gedorst worden en hoe krijg je 500 pond per maand in 's-Heerenberg. Voor Toon geen punt. Hij kwam met zijn bakkerskar in de hele omgeving. Als die leeg is kom ik bij jullie langs en laad ik hem vol met rogge meel. Er werden steeds drie zogenaamde politiemensen of marechaussees omheen gezet, zodat het leek alsof hij werd opgebracht. En zo is het altijd goed gegaan. Bij Toon Linssen was altijd wel wat brood te halen op deze manier.

Ook voor bakker Winters hier in Zeddam hebben we graan geleverd. Dat werd dan 's nachts illegaal gemalen bij de coöperatie. We moesten dan een kar hebben die niet zoveel lawaai maakte. Tegen de ochtend kwamen we dan weer thuis en legden het allemaal onder het stro. Achter het huis hadden we speciaal altijd een paar mijten staan, die het zicht daar wegnamen.

Evacués

Zo eind 1944, begin 1945 kregen we te maken met evacués uit het zuiden. Er waren er altijd veel, en ze wisselden vaak. Ik kan me nog mensen uit Afferden herinneren. Die kregen hier pannekoeken, pap of we lieten ze hier zelf koken. Ze hielpen ons met allerlei karweitjes als dorsen. Zo had Herman Dijkman, boer op de Paardevoortse hoeve, zelf een dorsmolen. Maar hij was nogal bang om dat ding illegaal te gebruiken. Mijn vader niet en we hebben hem op een nacht, toen er sneeuw lag bij Dijkman opgehaald. We zetten hem vast op eiken palen en sleepten hem over de sneeuw midden in de nacht, dwars door Zeddam, naar onze boerderij. Iedereen kon het zien. Bartje Timmer moest voor de Duitsers de stroom afsluiten. Zo gauw hij was verdwenen hadden wij de kabels alweer over de leiding gehangen en konden we dorsen. Als het helemaal niet anders ging dan deden we het met de hand. Er werd ook gecontroleerd. Altijd onregelmatig. Maar ik liep veel op de zuivelfabriek omdat me die machines en zo interesseerden. Daar werkten alleen maar 'goede' mensen, zoals de machinisten Scholten en Wensink. Van onderdirecteur Ettema kreeg ik vaak informatie over ophanden zijnde controles. Die kreeg hij weer via de 'onderwereld' (wij boeren noemden de ondergrondse de onderwereld). Ik ging dan de buurt door om dit bij andere boeren te melden. Nooit is er wat gevonden. Later is Ettema opgepakt en nooit meer terug gekomen.

In het huis van Miedema, toendertijd directeur van de boterfabriek, zat de Ortskommandant. Die vorderden op een dag paarden. Ook bij ons. Maar we hadden alleen nog maar een kreupel paard op stal staan. Dat geloofden de Duitsers niet en mijn vader werd gearresteerd. Eerst zei de Duitser nog: "Als je ze niet geef dan schiet ik je hier dood." Toen is mijn vader maar meegegaan. Laconiek met de pijp in z'n mond en achter hem een Duitser met een geweer op hem gericht is hij door Zeddam gelopen naar wat nu café Aalderink is. "Wat maak ie now, Tervoert", riepen de mensen. Thuis knepen we hem wel een beetje, maar hij heeft zich er toch wel uitgepraat want een paar uur later was hij weer thuis. Hij had afgesproken dat wanneer de goede paarden weer terugwaren hij deze zou afstaan. Toen die terug waren, werd er echter niet meer naar gevraagd.

Af en toe gingen we nog maar naar school. Een keer had ik afgesproken met een vriend van mij uit Doetinchem om wat met radio's te knutselen enz. Die jongen woonde in de Boliestraat. Toen ik naar Doetinchem fietste merkte ik al dat het niet pluis was. Er waren veel vliegtuigen in de lucht en op een gegeven moment dacht ik: "Ik ga weer naar huis, dit gaat niet goed." Wat volgde was het bombardement op Doetinchem en het huis in de Boliestraat werd ook getroffen. Gelukkig bleef mijn vriend en zijn familie ongedeerd.

De laatste oorlogswinter

In de herfst van 1944 moest ik samen met Bernard Hieltjes uit 's-Heerenberg op een zaterdag wat beesten ophalen die in een wei in het Goor liepen. Toen we er aankwamen zag de lucht boven Emmerik helemaal zwart. Ik zeg tegen Hieltjes: "Volgens mien kumpter onweer. Laote we de beeste maor snel inlaje." Overal vliegtuigen in de lucht en we zagen wel bommen vallen maar niet waar ze terechtkwamen. Toen we in de buurt van Zeddam kwamen hoorden we pas van Nol Daals dat er een zwaar bombardement had plaatsgevonden en heel Emmerik in brand stond.

Toen was er een razzia voor Todt-werkers. Er hadden er zich te weinig gemeld en er werden een twintigtal mensen in gijzeling genomen, waaronder Pennards, Van Raay, Varwijk en ook hier zijn ze geweest, maar mijn vader was gelukkig net niet thuis. [Opmerking: In Er op of er onder, blz. 129-131, wordt wel een Tervoert genoemd]. De gijzelaars hebben eerst hun eigen graf moeten graven, voor het geval. Toen hebben er zich meer mensen gemeld en zijn ze weer vrijgelaten. Sommigen waren er echter met name geestelijk, niet best aan toe.

Een paar weken voor de bevrijding kwam er hier een man aanwaaien. Hij zag er ontstellend slecht uit. Hij kwam uit het kamp Rees en was via het noodziekenhuis in 's-Heerenberg hier terechtgekomen. Het was een vreemde man. Nadat hij weer was aangesterkt is hij verder getrokken. Hij moest naar Leidschendam. Na de oorlog kregen we van hem een brief waarin ondermeer stond dat hij na de oorlog bij een razzia was opgepakt omdat hij NSB er was geweest. Hij had echter tijdens de oorlog daarvan al afstand genomen, maar had zich nooit afgemeld als lid.

Anderhalve maand voor de bevrijding kwamen werkers van de Todt hier om de boerderij allemaal loopgraven te graven, mitrailleurnesten werden ingericht en de kelders werden gestut. De Duitsers waren van plan om het gebied van huis tot huis te verdedigen. Steeds dichterbij kwam het geallieerde geschut. Ze zaten al in het Reichswald bij Rees. Zeddam kwam onder vuur te liggen. We sliepen toch meestal gewoon boven. We hoorden aan het geluid van de granaten waar ze ongeveer terecht kwamen. Als we het veilig genoeg vonden gingen we gewoon door met de dagelijkse werkzaamheden.

De laatste dag voor de bevrijding moest onze knecht Duits geschut helpen weghalen bij Limbeek. Met de stutkar er naar toe. Granaathulzen opladen. De Duitsers hielpen zelf ook mee en hadden haast. Na zijn laatste vracht kwam hij nog Van Schriek tegen van het Rademakersgoed. Die kreeg bij zijn laatste vracht een granaat precies in zijn kar. Er was van hem en kar en paard niets meer over.

De bevrijding

Die laatste dagen sliepen we wel in de kelder want de strijd werd feller. Aan de 's-Heerenbergse kant van onze boerderij stond een rij hoge lindebomen. Aan die bomen hebben we te danken dat de boerderij is blijven staan. De toppen zorgden ervoor dat er veel granaten uit elkaar spatten voordat ze ons huis raakten. Wel was al het glas uit de ruiten en waren er wat beesten dood. We hadden alles naar binnen gehaald. Ook was onze knecht verdwenen. Op paasochtend hebben we de beesten gevoerd en we hoorden hoe de Canadezen dichterbij kwamen. Ineens, om een uur of elf, hoorden we geschreeuw en gejuich: De Canadezen zijn in Zeddam. Ze deelden sigaretten en chocolade uit. Even later kwamen ze hier al de weilanden oprijden. 'Boven' in Zeddam is nog een beetje gevochten en zijn er nog wat Duitsers gesneuveld. De loopgraven en het geschut hier zijn helemaal niet gebruikt. Ze werden meteen door de Canadezen opgeruimd.

Een dag later kwamen er allemaal tanks om ons huis te staan. Er werd een heel kampement ingericht, ook op het voetbalveld, verder achter ons huis. De weilanden waren drassig en binnen de kortste keren was alles kapotgereden. Toen kwam er een heel stel vrachtauto's met puin uit Emmerik en werd er een weg aangelegd. Er kwam zelfs een complete Baily-brug te liggen die gebruikt werd om tanks en al het andere rijdend materieel na te kijken en schoon te maken. Later is die brug over de IJssel bij Gorssel neergelegd.

Na een paar weken zijn ze vertrokken en heeft de Heidemij de weilanden weer geëgaliseerd. Ik kan me nog herinneren dat de tanksporen zo diep waren dat ik er als jongen bijna helemaal in verdween.

Twee dagen nadat wij waren bevrijd zei mijn vader dat ik wat glas in Doetinchem moest gaan halen. Hij wist daar nog een adres aan de Torenalle. Ik op de fiets naar Doetinchem. Bij Wijnbergen was het akelig stil en bij het spoor zei iemand tegen mij dat ik maar beter terug kon gaan want Doetinchem was nog helemaal niet bevrijd en dat het nog vol zat met Duitsers.

Na een week kwam ook de knecht terug. Hij was helemaal in Doesburg en Brummen geweest. Daar hebben ze ons paard afgepakt. Later heeft hij weer een oude hit ervoor terug gekregen en daarmee is hij op weg naar huis gegaan. Hij kon nog net de IJsselbrug bij Doesburg overkomen voordat deze werd opgeblazen. Aan de andere kant was hij de Engelsen al tegengekomen en had daarmee een sigaret gerookt. Ja en toen kregen we dus te maken met de opbouw en met de Nederlandse Centrale Controledienst (CCD). Die was nog erger dan onder de Duitsers. Er was van alles te weinig in Nederland en men had het idee dat de boeren te weinig leverden aan de burgermaatschappij en teveel voor zichzelf (en zwarte handel) achterhielden. Op een dag fietste ik van school naar huis en zag in Braamt een hele groep controleurs. Ik spurtte naar huis. Onderweg kwam ik nog Willem Span tegen, die riep:"He-j nood?" Ik zei: "Ze komme." "Wie komme?", maar ik was al weg. Thuis zaten ze te eten en ik zei dat ze eraan kwamen. Alles werd veilig opgeruimd en we zatten net weer aan tafel toen ze binnenkwamen. Alles werd nagekeken, de kasten, de kelders enz., ook de boerderij. Ze vroegen naar de hoeveelheid melk, hoeveel graan enz. Een knecht die aan het melken was zei: "Zo, komme jullie controleren. De opvreters van herrijzend Nederland. Gao maor in Groninge en Friesland kieke, daor besodemietere ze de boel, maor hier niet!" Daar werden ze heel kwaad over en doorzochten alles nog grondiger maar ze vonden niets. De hele buurt hebben ze afgezocht. Nergens werd iets gevonden.

De haat is na de oorlog eigenlijk altijd wel gebleven. Of niet meer zozeer haat, maar ik vertrouw ze niet meer. Ik heb voor mijn werk veel op de weg gezeten en ook op het water zijn ze niet uit te staan. Maar goed, de jonge politici doen het anders. Eén Europa hoeft van mij in ieder geval niet.