Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Karel Anton van Hohenzollern-Sigmaringen

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Karel Anton nog als erfprins op een schilderij van Sébastien Melchior Cornu uit 1842.

De erfprins

Karel Anton van Hohenzollern-Sigmaringen was van 1848 tot 1885 graaf van Bergh. Hij werd op 7 september 1811 geboren op het slot Krauchenwies bij Sigmaringen als enige zoon van Karel van Hohenzollern-Sigmaringen en de Franse prinses Antoinette Murat. Zijn voornamen luidden voluit Karel Anton Joachim Zephyrinus Frederik Meinrad. Als troonopvolger had hij, zoals alle troonopvolgers voor en na hem, de titel erfprins van Hohenzollern-Sigmaringen. De titel kroonprins is voorbehouden aan de troonopvolgers van keizers en koningen.

Hij ging in Regensburg en Rastatt naar het gymnasium en studeerde daarna rechten in Genève, Tübingen, Göttingen en Berlijn. In Berlijn leerde hij de Pruisische koninklijke familie kennen, die de Brandenburgse tak van de Hohenzollerns vormden. Met kroonprins Wilhelm ontwikkelde hij een goed contact.

Ondanks de val en verbanning van Napoleon bleef het contact met leden van diens familie bestaan. Karel Antons moeder was immers een Franse prinses. Met zijn ouders en zussen kwam hij zodoende regelmatig op kasteel Arenenberg, net over de grens in Zwitserland. Dit was in 1817 gekocht door Horstense de Beauharnais, de stiefdochter van keizer Napoleon die sinds 1810 de ex-vrouw van ex-koning Lodewijk Napoleon was. Op Arenenberg kwam ook Hortenses zus Stephanie, die getrouwd was met groothertog Karel van Baden. Met hun dochter, Josephine van Baden (18131900), is Karel Anton op 31 oktober 1834 in Karlsruhe getrouwd. Tien jaar later verbond ook zijn jongste zus Frederike zich met haar Franse familie door te trouwen met een kleinzoon van haar moeders stiefvader Joachim Murat.

Zijn reis naar Nederland

Op 22 juli 1841 is erfprins Karel Anton met zijn adjudant baron Von Esbeck uit Sigmaringen vertrokken voor een reis naar Nederland. Zij voeren per stoomboot de Rijn af en gingen op 25 juli in Arnhem van boord voor hun eerste stop in Nederland. Na overnachting in hotel Het Zwijnshoofd zetten zij hun reis per stoomboot voort naar Rotterdam. Op 29 juli kwamen zij aan in Den Haag om daar op 2 augustus deel te nemen aan de feestelijkheden ter gelegenheid van de 23e verjaardag van prins Alexander, de tweede zoon van koning Willem II. Daar waren ongetwijfeld meer gasten aanwezig, maar de kranten noemden alleen de erfprins en zijn adjudant met naam. Waren zij speciale genodigden en was een bezoek aan de Nederlandse koninklijke familie het eigenlijke doel van de reis?

Het antwoord op deze vraag kan waarschijnlijk gevonden worden in het Hausarchiv Hohenzollern-Sigmaringen, dat in het Landesarchiv van Baden-Württemberg bewaard wordt. Op de online inventarislijst van het huisarchief staat een bezoekprogramma van de reis naar Nederland met de vermelding dat Karel Anton en zijn adjudant ook in Leiden, Utrecht en Gouda zijn geweest. Over bezoeken aan die drie steden zijn in de Nederlandse pers van die dagen echter geen berichten te vinden.

Op 24 augustus waren Karel Anton en zijn adjudant terug in Sigmaringen. Opvallend genoeg meldde het Journal de la Haye in zijn berichtgeving over deze thuiskomst dat de familie van Hohenzollern-Sigmaringen aanzienlijke bezittingen heeft in de provincie Gelderland. Dat klopt, maar Karel Anton heeft géén bezoek gebracht aan 's-Heerenberg. Dat zou vanuit Arnhem, zoals zijn vader in 1830 had gedaan, en zeker vanuit Emmerik een koud kunstje zijn geweest. Dit illustreert waarschijnlijk de afstand die er letterlijk en figuurlijk bestond tussen de vorsten van Hohenzollern-Sigmaringen en hun Berghse bezittingen. Bij verschillende gelegenheden hebben zij Bergh ruimhartig met hun geld gesteund, maar slechts twee van hen zijn er op bezoek geweest: Karel Antons grootvader in 1787 (en mogelijk vaker) en zijn vader in 1830. Karel Anton was de eerste graaf van Bergh die nooit in Bergh is geweest.

Uit de Arnhemsche Courant van 27 juli 1841.
Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.
Uit het Journal de la Haye van 1 september 1841.
Uit de Rotterdamsche Courant van 3 augustus 1841. De leeftijd van prins Alexander (geboren in 1818) wordt hier met een jaar te weinig vermeld.

De laatste regerende vorst van Hohenzollern-Sigmaringen

Bericht in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 10 oktober 1848 over de opstand in Hohenzollern-Sigmaringen.
Pruisen (donkerblauw) binnen het Duitse Rijk. In het zuiden liggen, ver van de rest van Pruisen, de Hohenzollernsche Lande – voorheen Hohenzollern-Sigmaringen en Hohenzollern-Hechingen.

Op 27 augustus 1848 volgde Karel Anton zijn vader op als regerend vorst van Hohenzollern-Sigmaringen, waarmee hij tevens graaf van Bergh werd. Dat jaar waren er in heel Duitsland, en ook in Sigmaringen, opstanden uitgebroken waarin meer burgerrechten en zelfs de republiek werden geëist. Deze onrust was voor zijn vader reden af te treden.

Karel Anton was vervolgens ruim een jaar lang, tot 7 december 1849, de laatste regerende vorst van Hohenzollern-Sigmaringen. Zoals uit nevenstaand krantenbericht blijkt, bleef het in Sigmaringen ook na de troonswisseling zo onrustig dat de vorst zijn land enige tijd moest ontvluchten. De toestand in het buurland Hohenzollern-Hechingen, waar vorst Constantijn regeerde, was niet veel anders. Karel Anton heeft toen, mede uit naam van Constantijn, in Berlijn met de koning van Pruisen onderhandeld over inlijving van de twee vorstendommen bij dat land. De koning van Pruisen was als lid van de Brandenburgse tak van de familie Hohenzollern geïnteresseerd in de twee vorstendommen van de Zwabische tak van de familie, omdat daar, ver weg van Berlijn, het stamland van de Hohenzollerns lag. Karel Anton was een voorstander van Duitse eenheid en zag in dat zijn vorstendom te klein was om als zelfstandig land te blijven bestaan.

De onderhandelingen werden met succes afgesloten. Na ceremonies op 6 april 1850 in Sigmaringen en op 8 april in Hechingen werden de twee vorstendommen verenigd tot het Pruisische Regierungsbezirk Sigmaringen, dat ook bekend werd onder de naam Hohenzollernsche Lande. Als voorstander van de Duitse eenheid zei Karel Anton bij de soevereiniteitsoverdacht het volgende. Een gedeelte van deze uitspraak staat op de sokkel van zijn standbeeld, dat in 1890 op de Karl-Anton-Platz in Sigmaringen werd onthuld.

"Soll der heißeste Wunsch meines Herzens, soll das Verlangen aller wahren Vaterlandsfreunde erfüllt werden, soll die Einheit Deutschlands aus dem Reiche der Träume in Wirklichkeit treten, so darf kein Opfer zu groß sein; ich lege hiermit das größte, welches ich bringen kann, auf dem Altare des Vaterlandes nieder."

De Zwabische Hohenzollerns verloren nu hun soevereine macht, maar behielden veel van hun bezittingen en rechten. De hoofden van de twee families, Karel Anton en Constantijn, kregen de titel hoogheid en kwamen, net als hun familieleden, protocollair te staan boven alle andere Pruisische onderdanen die niet tot het Pruisische koningshuis behoorden. De Zwabische Hohenzollerns behielden deze bijzondere status tot de val van het Duitse keizerrijk in 1918.

In 1869 stierf met de dood van vorst Constantijn de tak Hohenzollern-Hechingen uit. Volgens een familiecontract gingen de bezittingen van Hohenzollern-Hechingen daarmee over op Hohenzollern- Sigmaringen. Karel Anton liet daarop de toevoeging Sigmaringen vallen, zodat hij en zijn familie van toen af aan kortweg de naam Hohenzollern voerden.

Zijn verdere leven

Karel Anton verliet Sigmaringen nog op de dag van de soevereiniteitsoverdracht aan Pruisen. Hij ging naar Neiße (tegenwoordig Nysa in Polen), waar hij een militaire loopbaan in Pruisische dienst begon. Twee jaar later werd hij overgeplaatst naar Düsseldorf, waar hij met zijn gezin bijna twintig jaar lang op slot Jägerhof heeft gewoond.

Op 6 november 1858 benoemde kroonprins Wilhelm hem tot minister-president van Pruisen. De kroonprins was kort daarvoor als regent van Pruisen aangetreden (in 1861 werd hij koning). Karel Anton kon als minister-president zijn liberale ideeën echter niet verwezenlijken en stelde na een aantal jaren koning Wilhelm I voor om Bismarck tot zijn opvolger te benoemen. Op 12 maart 1862 trad hij af, maar bleef actief in de Pruisische politiek. Het jaar daarop werd hij benoemd tot militairgouverneur van de Rijnprovincie en Westfalen. Al sinds 1859 was hij generaal der infanterie, en nu had hij de top van zijn militaire loopbaan bereikt. Alleen de bevordering tot kolonel-generaal zou nog volgen.

Na de Frans-Duitse oorlog van 18701871 vormde Bismarck het Duitse Rijk, een bond van Duitse staten onder leiding van Pruisen. Koning Wilhelm I werd de eerste keizer van de nieuwe staat. Karel Anton keerde toen terug naar Sigmaringen, waar hij door een kwaal aan zijn benen al gauw aan een rolstoel gekluisterd raakte. Hij had nog wel de ceremoniële functie van erekolonel van twee Pruisische regimenten: het 26e Infanterieregiment en het Hohenzollernse Fuselierregiment Nr. 40. Na zijn dood kreeg dit fuselierregiment in 1889 de eretitel "Fürst Karl-Anton von Hohenzollern" (Hohenzollernsches) Nr. 40. Zijn tijd besteedde hij vooral aan het uitbreiden van zijn kunstverzameling, die hij ook voor het publiek openstelde. In oktober 1884 vierden hij en zijn vrouw in aanwezigheid van keizer Wilhelm I hun gouden huwelijksfeest.

Een half jaar later, op 2 juni 1885, overleed Karel Anton in Sigmaringen, 73 jaar oud. Hij werd bijgezet in de crypte van de Hohenzollerns in Hedingerkerk in Sigmaringen. Zijn zoon Leopold volgde hem op als hoofd van zijn tak van de familie Hohenzollern, maar niet meer als regerend vorst van Hohenzollern-Sigmaringen (het vorstendom was in 1850 immers ingelijfd bij Pruisen).

Zijn betrokkenheid bij Bergh

Zoals hierboven al vermeld is Karel Anton nooit in Bergh geweest en liet hij het beheer over aan zijn administrateurs. In zijn 37 jaar als graaf van Bergh waren dat achtereenvolgens Lodewijk van Nispen, Ludwig von Godin, Joseph Grimm en Wilhelm Steinberger. Het is daarom moeilijk vast te stellen of de sporen die hij in Bergh heeft nagelaten wijzen op persoonlijke interesse van zijn kant, of dat ze slechts voortvloeiden uit zijn positie van landheer. Maar een aantal blijken van betrokkenheid kunnen hier toch genoemd worden.

  • In 1862 aanvaardde hij het beschermheerschap van Sociëteit De Vriendschap.
  • Op 18 juni 1868 schonk hij tweehonderd gulden voor de nieuwbouw van de synagoge.
  • Na de grote stadsbrand van 25 juli 1868 schonk hij duizend gulden voor de wederopbouw van 's-Heerenberg.
  • Op 12 augustus 1868 keurde hij een verzoek van pastoor Nales goed om een deel van de inkomsten uit de vicarieën van Millingen en Driel te bestemmen voor de bouw van de Pancratiuskerk in 's-Heerenberg. Dit besluit werd versneld door de stadbrand van de maand voordien. De oude Baustetterkerk was bij de brand beschadigd en op de open plekken die in de stad waren ontstaan, was plaats voor een nieuwe kerk. Karel Anton zou de bouw niet meer meemaken, want pas in 1890, vijf jaar na zijn overlijden, was er voldoende geld bijeen. Uiteindelijk werd de kerk in 1897 in gebruik genomen.
  • In de zomer van 1875 meldden meerdere dagbladen dat Karel Anton zijn Nederlandse bezittingen had verkocht aan een Duitse heer. De koop ging niet door nadat, zo werd beweerd, de vorst begrepen had dat een Duitse kloosterorde in Huis Bergh gehuisvest zou worden. Hij wilde niet meewerken aan Bismarcks Kulturkampf. Of dit nu waar is of niet, de berichten (of geruchten) illustreren dat de vorst in Sigmaringen zijn verre Nederlandse landgoed toen al van de hand wilde doen.
Dat wil niet zeggen dat hij als graaf van Bergh geen grond heeft gekocht. In augustus 1863 lieten de erfgenamen van Willem Hemmink in Rafelder ten overstaan van notaris Frans de Both elf percelen veilen. Willem Hemmink had gewoond op boerderij "Het Goedt tot Rafelder" (tegenwoordig adres Driekoningenweg 4), die al eeuwen Berghs bezit was. Nu zag Karel Anton kans de waarde ervan te vergroten door er grond bij te kopen. Hij gaf zijn rentmeester Willem van Ditshuizen opdracht naar de veiling in Etten te gaan. Voor een totaalbedrag van 3.707 gulden kocht hij zeven percelen bouwland en één peceel weiland. In het najaar van 1872 verkocht Karel Anton "Het Goedt tot Rafelder" met alle bijbehorende grond voor 23.100 gulden. Het ziet ernaar uit dat de investering van 1863 ruime winst heeft opgeleverd.

Zijn kinderen

De hoge status die Karel Antons familie had verworven na de inlijving van Hohenzollern-Sigmaringen bij Pruisen, blijkt ook uit de levensloop van zijn kinderen: een van hen werd zelf koning en drie van hen trouwden met een telg uit het Huis van Saksen-Coburg en Gotha, dat in meerdere Europese landen op de troon zat.

  1. Leopold (18351905) trouwde in 1861 met de Portugese prinses Antonia van Saksen-Coburg en Gotha. Hij werd daarmee zowel via zijn vrouw als via zijn oudste zus een zwager van de koning van Portugal.
  2. Stephanie (18371859) werd in 1858 koningin van Portugal door haar huwelijk met koning Peter V van Saksen-Coburg en Gotha.
  3. Karel (18391914) werd koning van Roemenië. Hij trouwde in 1869 met prinses Elisabeth van Wied, maar bleef kinderloos. Een zoon van Leopold volgde hem op als koning van Roemenië.
  4. Anton (18411866) sneuvelde op 23-jarige leeftijd in Pruisische dienst in de Slag bij Königgrätz.
  5. Frederik (18431904) trouwde in 1879 met prinses Louise van Thurn en Taxis.
  6. Marie Louise (18451912) trouwde in 1867 met Belgische prins Filips van Saksen-Coburg en Gotha. Zij was de moeder van koning Albert I van België en de betovergrootmoeder van de huidige koning Filip.

Bronnen