Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Kelly, George

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Zijn jonge jaren

Sergeant George Kelly

Flight Sergeant George Kelly werd op 3 februari 1925 geboren in Glasgow, Schotland, als zoon van John en Jeanie Kelly. Hij had twee oudere broers (een tweeling) en een jongere zus.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 was hij leerling van de St. Mungo's Academy in Glasgow, een gerenommeerde rooms-katholieke middelbare school. Tot zijn ontzetting werd de school gesloten, waarna hij leerling-plateerder werd bij Babcock and Wilcox, toen een fabrikant van stoomgeneratoren. Hoewel dit beroep hem vrijstelde van militaire dienst, meldde hij zich in 1943 vrijwillig bij de RAF. Hij was toen achttien jaar oud.

De Tweede Wereldoorlog

Boordschutter bij de RAF

George volgde een opleiding tot boordschutter en begon zijn actieve dienst in mei 1944. Hij werd ingedeeld bij 50 Squadron op de vliegbasis Skellingthorpe in Lincolnshire. Dit squadron vloog met Lancaster bommenwerpers. Hij behoorde tot de bemanning van Lancaster VN-L Love LM212. Met dit toestel vloog hij dertien missies.

Op zaterdag 23 september 1944 nam LM212 deel aan een aanval op het Dortmund-Ems-kanaal bij Ladbergen in Noordrijn-Westfalen. Het zou de laatste vlucht van LM212 worden. Al op de heenweg was het vliegtuig door afweergeschut licht beschadigd geraakt, waardoor het achterbleef bij de rest van de formatie. Zoals op de pagina van het toestel is te lezen, werd het boven de Slangenburg bij Doetinchem neergeschoten door Hauptmann Heinz-Wolfgang Schnaufer, een van de meest gevreesde nachtjagerpiloten van de Luftwaffe. George was het enige bemanningslid dat de ramp heeft overleefd.

Ondergedoken bij het Berghse verzet

George had op tijd met zijn parachute kunnen springen, maar zijn laars was ergens achter blijven haken, waardoor hij een lelijke wond aan zijn been had opgelopen. Toen hij landde, merkte hij dat hij beide laarzen kwijt was. Dit probleem heeft hij opgelost door de schouderstukken van zijn parachuteharnas om zijn voeten te doen. Zijn parachute en de rest van het harnas heeft hij nog zo goed mogelijk verstopt en is toen op goed geluk gaan lopen.

Doodmoe klopte George aan bij de boerderij van de familie Bruggink aan de IJzevoordseweg. Gelukkig was Bruggink hem welgezind; hij gaf George een slaapplaats en zorgde ervoor dat een verzetsman met de naam Hoeksma hulp ging halen. Zodoende kwam de koerierster Annie de Graaf naar de boerderij om George naar een beter adres te brengen. Het was zondagmorgen en zij had op het punt gestaan naar de kerk te gaan, maar nu was er iets belangrijkers te doen. Ze trof George aan in diepe slaap en moest hem een paar flinke porren geven om hem wakker te krijgen.

George schreef zijn naam in het gastenboek van de familie Houtsma. Mevrouw Houtsma schreef er later de rangen van de Generaloberst en zijn adjudant de Hauptmann naast, met hun verblijfsdata…

Hij wist eerst niet waar hij was, maar al gauw herinnerde hij zich alles weer. Hij kreeg van boer Bruggink wat te eten, waarna hij zijn verhaal deed. Annie had moeite met het Schotse accent van George, maar ze kon zijn verhaal toch volgen. Toen hij uitverteld was, vroeg Annie hem of hij kon fietsen. Dat bleek, ondanks de beenwond, wel te lukken. George kreeg van Bruggink een paar schoenen, en Annie had een lange jas bij zich die hij over zijn uniform aantrok. Zo uitgedost kon hij redelijk onopvallend vertrekken op een fiets van Bruggink. Annie maakte zich zorgen, want George slingerde nogal, en ze moesten een Duitse controlepost passeren. Maar George fietste daar met een stalen gezicht voorbij, en de Duitsers schonken geen aandacht aan het tweetal.

Annie bracht George naar het huis van de Doetinchemse verzetsleider Jan Houtsma, die bij zijn ouders woonde. Zijn vader was huisarts, zodat Georges beenwond onopvallend verzorgd kon worden. Als de dokter hem op een ander onderduikadres had moeten bezoeken, had dit gemakkelijk argwaan kunnen wekken. Nadat zijn been verbonden was viel George weer in slaap en sliep een gat in de volgende dag.

Twee dagen lang zat George ondergedoken op een zolderkamer in het huis van Houtsma. Daar stond een radio, zodat hij naar de BBC kon luisteren. Het was de bedoeling dat hij wat langer zou blijven, zodat zijn been kon genezen, maar dit plan werd in de kiem gesmoord toen op maandagmorgen een NSB'er en enkele Duitse militairen voor de deur stonden. Iedereen dacht dat George verraden was, maar het bleek dat een Duitse Generaloberst met zijn adjudant een deel van de woning kwam confisqueren. Zij namen de beste kamers in beslag. In de zolder hadden ze gelukkig geen interesse, maar het was een hachelijke situatie. Buiten voor de deur stonden gewapende schildwachten en allerlei Duitsers liepen in en uit.

Het ligt voor de hand dat deze naamloze Generaloberst behoorde tot de staf van Generalfeldmarschall Walter Model. Model was in die periode opperbevelhebber van Heeresgruppe B, die de noordvleugel van het westfront verdedigde. Hij verbleef in die dagen in de Achterhoek en nam op 26 september 1944 zijn intrek in een villa op de Paasberg in Terborg. Dat is – toeval of niet – dezelfde dag dat de naamloze Generaloberst uit het huis van Houtsma vertrok. Ging hij naar de Paasberg?

(zie Imagine a perfect, cloudless May day, blz. 180 e.v.)

Gelukkig vertrok de generaal al de volgende dag. Maar bij Houtsma was het voor George te gevaarlijk geworden. Wim Moorman van het verzet in Beek kwam hem ophalen en bracht hem naar de schuilplaats van Clemens Berntsen in Loerbeek. Daar waren Clemens en de andere verzetsmensen en onderduikers erg onder de indruk van Georges survival kit. Het was een witte plastic doos; op zich al een bezienswaardigheid, omdat nog niemand ooit plastic had gezien. In de plastic doos zaten onder meer landkaarten gedrukt op linnen, waterzuiveringstabletten, "peppillen" en een serie kaarten met elk in het Engels een aantal vragen en daarnaast de vertaling in een andere taal.

In de schuur kon George niet veel meer doen dan zich schuilhouden en zich zo goed en zo kwaad als het ging vermaken met de andere verzetsmensen en onderduikers. Een dieptepunt was de liquidatie van een verrader, waar hij tegen wil en dank bij betrokken raakte.

Operatie Pegasus 2

In november 1944, na een verblijf van zes weken in Loerbeek, was er een mogelijkheid om George naar het bevrijde zuiden van Nederland te brengen: Operatie Pegasus 2. Nauwe samenwerking tussen het verzet op de Veluwe en Britse troepen ten zuiden van de Rijn had in de nacht van 22 op 23 oktober 1944 al tot Operatie Pegasus 1 geleid. Zo'n 130 man waren die nacht bij Renkum veilig over de Rijn gezet; meest gestrande paratroepers van de operatie Market Garden, maar ook enkele neergeschoten vliegeniers en een aantal Nederlanders. Nu was voor 18 november bij Heteren Operatie Pegasus 2 gepland. De bedoeling was hierbij een vergelijkbaar aantal militairen over de Rijn te zetten.

George moest eerst naar het veer bij Bronkhorst gebracht worden, waar een politieman hem, zogenaamd als arrestant, over de IJssel zou brengen. De reis begon een aantal dagen voor Pegasus 2. Wim Moorman en Betsie Wassink (een evacuée uit de omgeving van Nijmegen) vertrokken per fiets uit Loerbeek, op enige afstand gevolgd door Clemens, zijn zus Riek en George. George zat bij Clemens achterop. Mochten de Duitsers de voorste fietsers stoppen, dan zou Wim zo lang misbaar maken, dat de achterste fietsers tijd genoeg hadden om ongehinderd te passeren.

Van te voren was afgesproken dat Wim en Betsie op het kruispunt in Laag-Keppel zouden wachten, zodat daar, afhankelijk van de situatie, kon worden bekeken langs welke route de tocht het best voortgezet kon worden. Maar toen Clemens, Riek en George bij dat kruispunt kwamen, waren Wim en Betsie nergens te zien. Zij besloten te wachten, want Wim en Betsie stonden vast ergens anders, en zouden omkeren als George en zijn begeleiders niet kwamen opdagen. Maar het wachten duurde lang en uiteindelijk werd het te laat om nog naar Bronkhorst te fietsen. Om acht uur ging immers de avondklok in. Clemens besloot George naar Houtsma in Doetinchem te brengen, waar ze nog net voor de avondklok aankwamen. Wim Moorman dook later die avond ook bij Houtsma op. Betsie was naar Loerbeek teruggefietst. Het is duidelijk dat er een misverstand was over het punt waar zij op elkaar zouden wachten.

Clemens en Riek (en Wim mogelijk ook) bleven bij Houtsma slapen, maar George werd naar een ander adres in Doetinchem gebracht. Vermoedelijk was dit de postbode Van Raay. Een zus van Jan Houtsma, Angelique, heeft George een of twee dagen later naar Bronkhorst gebracht. Maar dat hebben zijn makkers in Loerbeek nooit geweten.

In Georges ontsnappingsroute wordt Doorwerth genoemd, een plaats vlak bij de Rijn en niet ver van het oversteekpunt bij Heteren. Dit wijst erop dat hij zich vrij laat bij de ontsnappingsgroep heeft gevoegd, want het hoofdverzamelpunt lag twintig kilometer ten noorden van de Rijn bij Wekerom. Hoe het ook zij, Operatie Pegasus 2 is op een mislukking uitgelopen. Een belangrijke reden hiervoor was dat de Duitsers na Pegasus 1 extra op hun hoede waren. Slechts zeven man ontkwamen over de Rijn, een klein aantal sneuvelde en de rest werd gepakt of kon opnieuw ontsnappen. George heeft met drie anderen nog tot aan de oever van de Rijn kunnen komen, voor hij in handen van de Duitsers viel.

In Duitse krijgsgevangenschap

Als krijgsgevangene ging George een uiterst zware tijd tegemoet. Hij werd eerst naar het doorgangskamp Oberursel bij Frankfurt am Main gebracht, waar alle neergeschoten geallieerde vliegers werden ondervraagd. Hij heeft er een week in eenzame opsluiting doorgebracht, omdat hij niets wilde vertellen over zijn vliegtuig en zijn tijd als onderduiker bij het verzet. Met dit moedige gedrag heeft hij zeker Nederlandse levens gered.

In december 1944 werd hij verplaatst naar Stalag Luft VII in Silezië, een deel van Duitsland dat na de oorlog Pools werd. Het kamp lag bij Bankau (Bąków) in de buurt van Oppeln (Opole; achter de Duitse plaatsnaam staat tussen haakjes de Poolse vorm).

Stalag Luft VII was een van de krijgsgevangenenkampen speciaal voor geallieerde vliegers. Er zaten Britten, Canadezen, Amerikanen, Russen en Polen. Toen het Rode Leger naderde, werden de circa 1500 krijgsgevangenen op 19 januari 1945 gedwongen westwaarts te marcheren. Dit gebeurde onder verschrikkelijke omstandigheden. Het vroor bijna twintig graden en voedsel, kleding en schoeisel waren ontoereikend. George zag uitgeputte lotgenoten die van ellende in de berm gingen liggen en stierven. Ook schoten de bewakers willekeurig gevangenen dood.

Op 25 januari sloot zich een colonne krijgsgevangenen uit Stalag Luft VIIIB bij Lamsdorf (Łambinowice) bij hen aan. Op 5 februari, na een gedwongen mars van, met omwegen, vierhonderd kilometer, werd de hele colonne in Goldberg (Złotoryja) in veewagens geladen. De trein bracht hen naar Stalag IIIA, een gigantisch krijgsgevangenenkamp bij Lückenwalde ten zuiden van Berlijn. Dit kamp werd op 22 april 1945 door het Rode Leger bevrijd, maar het duurde nog een maand voor de Britten en Amerikanen van de Russen toestemming kregen om hun bevrijde landgenoten te komen halen.

Na de oorlog

Aldus keerde George pas in mei 1945 naar huis terug. Daar werd hij herenigd met zijn familie, die maandenlang in de veronderstelling had geleefd dat hun zoon en broer gesneuveld was.

Na de oorlog heeft George nog anderhalf jaar gediend bij 328 Repair and Salvage Unit van de RAF in Buc bij Paris. In het voorjaar van 1947 zwaaide hij af en keerde terug naar het burgerbestaan. Hij maakte zijn opleiding bij Babcock and Wilcox af en volgde een avondstudie voor technisch tekenaar. Hij was hoofd van de tekenkamer van een scheepswerf in Renfrew bij Glasgow. Daarnaast en daarna was hij werkzaam in het onderwijs.

Hij trouwde in 1956 en kreeg vijf kinderen. Hij woonde met zijn gezin in Bishopbriggs bij Glasgow. In 1992, twee jaar nadat hij met pensioen was gegaan, overleed zijn vrouw. Zij was nog maar 58 jaar oud. Zijn scherpe geest en gevoel voor humor, evenals de steun van familie en vrienden hielpen hem de zin van het leven te blijven zien. Ook na een ernstige ziekte in 2011 bleef hij kranten en boeken lezen, en hield hij ervan over politiek en geschiedenis te discussiëren. Op 4 juli 2013 werd hij opgenomen in de Glasgow Royal Infirmary. Ook toen had hij zijn scherpe geest en gevoel voor humor hem niet in de steek. Nog op de ochtend van zijn dood stuurde hij zijn familie weg om een krant te kopen met een foto van de Schotse tennisser Andy Murray, die daags te voren Wimbeldom had gewonnen.

Hij stierf op 8 juli 2013, 88 jaar oud.

Twee jongens met dezelfde naam

Het gedenkteken voor gesneuvelden in de St. Mungo's Academy in Glasgow. George heeft altijd aangenomen dat hij hierop vermeld wordt, maar na zijn overlijden is gebleken dat dit een andere George Kelly is.
Klik voor een vergroting

Na zijn dood is er nog een klein raadsel opgelost. Aangezien maandenlang werd aangenomen dat George gesneuveld was, heeft hij altijd gedacht dat hij vermeld staat op het oorlogsgedenkteken is zijn oude school, de St. Mungo's Academy. Inderdaad staat daar de naam George Kelly op, maar pas na zijn overlijden kwam zijn familie erachter dat dit een andere sergeant George Kelly is. Deze kwam samen met drie andere bemanningsleden op 1 mei 1940 om toen hun Hudson-bommenwerper neerstortte in de Noordzee, op weg voor een aanval op Sola in Noorwegen.

De naam George Kelly komt heel weinig voor onder Schotse katholieken, en het is een groot toeval dat twee jongens met deze naam de St. Mungo's Academy in Glasgow hebben bezocht en daarna in de oorlog met een vliegtuig zijn neergeschoten.


Bronnen