Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Loofbomen

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Met uitzondering van enkele naaldbomen, zijn onze inheemse boomsoorten bladverliezende loofbomen. Loofbomen laten in de herfst hun bladeren vallen om vochtverlies en uitdroging te voorkomen. De boom verliest via de huidmondjes in zijn bladeren veel vocht, dat in de winter niet meer aangevuld wordt vanuit de wortels. Pas in het voorjaar komt deze sapstroom weer op gang en vormen zich nieuwe bladeren.

Inheemse loofbomen, die in het Bergherbos veel voorkomen zijn zomereik, wintereik, beuk en berk. Om de productie van de loofbossen op te voeren heeft de mens in het verleden een aantal economisch belangrijke boomsoorten ingevoerd. Voorbeelden hiervan zijn de tamme kastanje, die oorspronkelijk uit het Middelandse Zeegebied komt en die vermoedelijk door de Romeinen in onze streken werd geïntroduceerd en de gewone esdoorn uit Zuid- en Midden Europa. De Amerikaanse eik en vogelkers werden pas rond 1900 in ons land ingevoerd.

De dichtheid van het bladerdak van loofbomen bepaalt wat er onder groeit. Door de kroon van een beuk dringt maar weinig licht, waardoor er weinig tot niets groeit. Daarentegen heeft een eik een betrekkelijk open kroon. Hieronder zul je dus een weelderige onderbegroeiïng aantreffen.

Loofbomen die in het Berghse landschap voorkomen zijn:


Bron

  • De Natuuratlas - HJW Becht - Amsterdam