Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Rivierrecht

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Inleiding

De heerlijkheden Bylandt, Millingen en Pannerden lagen aan de Waal, waar de heren en graven van Bergh het rivierrecht bezaten.
Detail van de kaart van Christiaan 's Grooten uit 1573.

Het rivierrecht als heerlijk recht is een verzamelterm voor heerlijke rechten die met het beheer en gebruik van rivieren te maken hebben, zoals het tolrecht, het veerrecht, het visrecht en het recht van aanwas. Tegelijk met deze rechten had de heer de plicht te doen wat nodig was om de dijken, oevers en de loop van de rivier zelf te beschermen en te behouden.

In zijn boek over de hervorming van de landrechten in het graafschap Zutphen (waar het graafschap Bergh ook onder viel) definieerde de rechtsgeleerde mr. Johan Jacob van Hasselt het rivierrecht in 1771 zo:

Het Water of Rivierrecht behoort tot de Rivieren en het geene daar inne, het zy door den Souverain of onderdaan door aanwas wordt geacquireert, gelyk ook tot die zaken, die tot bewaaringe van den loop der Stromen en derzelver oevers nootsakelyk zyn en daar toe vereist worden.

Voor de heren en graven van Bergh gold het rivierrecht met name in de heerlijkheden Bylandt, Millingen, Pannerden en Ochten, die destijds alle vier nog aan de Waal lagen.

Het archief van Huis Bergh bewaart een groot aantal documenten die betrekking hebben op het rivierrecht. Een aantal daarvan komt ter sprake op de pagina over het recht van aanwas. De meeste gaan echter over het onderhoud van de dijken, en zijn vaak brieven aan of van de overheid van naburige gebieden. Het had immers geen zin een dijk te onderhouden als de buren dat niet ook deden. De dijken moesten bestand zijn tegen hoogwater. Daarom schreven de bevelhebbers van Bergh (de regenten voor de minderjarige Oswald II van den Bergh) op 15 november 1519 aan de Kleefse richter in De Hetter, dat daar varkens op de Rijndijk aan het wroeten waren, en verzochten hem dit te doen beletten.

Een kleine greep uit het grote aantal archiefstukken volgt nu.

Dijkonderhoud en dijkherstel

De dijk bij Millingen

In de jaren tachtig van de vijftiende eeuw was er veel te doen om de dijk in Millingen.

In april 1481 was Joris van Groenen, de persoonlijk secretaris van Oswald I van den Bergh, in Kleef om daar met de hertog te overleggen over het gezamenlijk ophogen van de dijk in Millingen. Inderdaad hebben toen arbeiders uit zowel Bergh als Kleef aan de dijk gewerkt, maar op 4 september 1481 vond graaf Oswald het nodig aan de hertog van Kleef te schrijven dat de hulp uit Bergh geheel vrijwillig was verleend en niet berustte op een plicht.

In maart 1486 brak de dijk in Millingen door, waarop graaf Oswald hulp vroeg van Kleef en ook van de Nijmeegse geërfden in de heerlijkheid Ooij met het dorp Persingen. Het lijkt er niet op dat de samenwerking toen soepel verlopen is, want tot in het najaar van 1487 beschuldigden de drie partijen Bergh, Kleef en Ooij elkaar ervan hun beloften niet na te komen. Wanneer en hoe de dijk uiteindelijk hersteld is, blijft onduidelijk.

In 1784 is de dijk weer doorgebroken.

De dijk in De Hetter

De verantwoordelijkheid voor dijkonderhoud strekte zich uit tot in De Hetter, dat geen Berghse bezitting was. Aldus schreven de bestuurders van Emmerik op 19 oktober 1490 aan graaf Oswald I dat de inwoners van Stockem, Borchlengell, Nederlengel, Vynckwick, Braempt, Kilre, Lutteken Aesswiin met Holthuessen, Warmpt en Yselhunten aansprakelijk waren voor het herstel van de dijk tussen Embrick en het kerspel Doirnick. Ze verzochten hem er voor te willen zorgen, dat dit voor de winter gebeurde. Op 21 oktober antwoordde de graaf dat de dijk hersteld was, behalve een stukje gemeenschappelijke dijk. Hiervoor waren de genoemde plaatsen niet aansprakelijk, maar de graaf was gaarne bereid tot gemeenschappelijk overleg.

Onder verwijzing naar graaf Oswalds brief van 21 oktober 1490 schreven de bestuurders van Emmerik op 4 februari 1491 dat de dijk nog niet hersteld was. Door de ijsgang stond het water nu tot aan de dijkrand, zodat zij hem verzochten zijn onderdanen te bevelen de dijk op te hogen. Nog dezelfde dag antwoordde graaf Oswald dat de dijk volgens hem wél opgehoogd was, maar dat hij bereid was zijn onderdanen de dijk samen met burgers van Emmerik verder te laten ophogen.

Op 8 maart 1491 kwam uit Emmerik het bericht dat door ijsgang de dijk bij Bienen even ten noorden van Rees was doorgebroken. Er werd om hulp van Berghse arbeiders gevraagd om die uit Emmerik te ondersteunen bij het dijkherstel.

Op de pagina over De Hetter staat meer over het dijkonderhoud in dit gebied.

De dijk bij Ochten

Willem III van den Bergh heeft in 1508 onderhoud aan de Waaldijk bij Ochten laten uitvoeren. Zijn zoon Oswald II raakte de heerlijkheid door een conflict met zijn stiefvader Filips van Virneburg enige tijd kwijt, maar de hertog van Gelre zorgde in 1523 voor teruggave. In de betreffende akte wees de hertog nadrukkelijk op de verplichting tot dijkonderhoud. Waarschijnlijk was daar in de jaren van het conflict weinig aan gedaan.

Graaf Oswald II maakte geen haast, want de eerste vermelding van dijkonderhoud bij Ochten onder zijn gezag dateert pas van 1535. In juni van het jaar daarop werd er nog steeds aan de dijk gewerkt. In 1546, graaf Oswalds sterfjaar, vond er weer dijkonderhoud plaats. Onder zijn opvolger Willem IV werd er aan de dijk gewerkt in 1576, 1580 en 1582. De meeste stukken gaan over betalingen aan de betrokken ambtenaren en arbeiders. Op 31 juli 1582 ontving ene Rutger Goessens zestien keizerguldens en tachtig stuivers voor de levering van tweehonderd palen voor den Ochtense dijk.

Bronnen

  • Scholia ad reformationem comitatis Zutphaniæ, eerste deel, mr. Johan Jacob van Hasselt, Arnhem (1771), blz. 38 (op Google Books)
  • Archief Huis Bergh:
    • Inventarisnummers 5804, 5812 en 5813
    • Regesten 1164, 1752, 2032, 2352, 3253, 3636 en 3765
    • Briefregesten 807, 808, 1036, 1037, 1055, 1056, 1058, 1065–1068, 1091, 1101, 1105, 1207, 1208, 1220–1222, 2360, 2379, 2428, 3145, 3387, 3396, 3952 en 4381
  • Binnenvaarttaal, trefwoord rivierrecht