Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Smeenk, dokter C (kinderarts)

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Korte levensloop

Cato Smeenk werd geboren 29 januari 1911 op Ambon in het toenmalige Nederlands-Indië.

Zij studeerde geneeskunde en werkte vervolgens van 1943 tot 1975 als kinderarts in Doetinchem. Tot haar werkgebied hoorde ook de gemeente Bergh.

In 2008 heeft haar nichtje Elzebet Veenendaal via een oproep verhalen over haar tante verzameld. Dokter Smeenk heeft het resultaat nog gedeeltelijk kunnen meemaken, maar de publicatie op de Berghapedia niet meer.

Zij overleed op woensdag 20 oktober 2010 in de leeftijd van 99 jaar in Laag-Keppel, waar zij haar laatste maand in het zorghotel van De Gouden Leeuw Groep heeft gewoond.

Op deze pagina staan, na onderstaande tekst van de oproep uit 2008, herinneringen van dokter Smeenk zelf. Herinneringen van oud-collega's en patiënten staan op de vier pagina's over haar Levenswerk.

TT.jpg V.a. 015.jpg
Het Levenswerk van C.Smeenk0004 (Medium).JPG


Betreft: Oproep

Datum: 29-01-08, Eerbeek

Ik zou graag een oproep willen plaatsen.

Mijn tante werd 2 weken geleden met spoed opgenomen in het ziekenhuis. Op zich niets bijzonders, elke dag worden er tantes opgenomen. Maar één van de ambulancebroeders die haar kwam ophalen zakte op zijn knieën voor haar en zei: dokter Smeenk ik ben een oud patiëntje van u, alles is goed gekomen met mij wat fijn dat ik nu voor u kan zorgen!

De andere broeder zei, ik ben ook oud patiëntje, mijn moeder zei altijd vlak voordat wij de spreekkamer binnen gingen: denk er om dat je tegen de dokter zegt dat je de levertraan en pilletjes slikt! U was heel erg streng!!

Zo gaan er vele verhalen over kinderarts Dr. Smeenk zoals, dat ze moeders met nagellak een veeg uit de pan gaf of niet al te vriendelijke opmerkingen maakte tegen dikke kinderen.

De vaders hadden het helemaal zwaar te verduren bij haar!

In de oorlog ging zij (alleen!) op de fiets dwars door de vuurlinies naar de alleenstaande boerderijen om daar een ziek kind te onderzoeken. Zij was erg kundig (het laagste sterfte cijfer onder kinderen in haar praktijk van Nederland) en heeft zij zich volledig ingezet voor alle zieke kinderen.

Er zijn veel verhalen, (anekdotes) en herinneringen aan haar van oud verpleegkundigen, collega’s en patiënten.

Inmiddels is zij 97 jaar geworden en heeft zij een pacemaker gekregen! Ik zou graag de verhalen en herinneringen willen bundelen, ik weet dat zijn een uniek mens is en een grote stempel heeft gedrukt op kinderen en hun ouders in en rondom Doetinchem.

Elzebet Veenendaal

Enige herinneringen van dokter Smeenk zelf

1 januari 1943 ben ik naar Doetinchem gekomen, benoemd als districts-kinderarts door de Gelderse Kruisverenigingen.

Het feit dat er ook klinisch werk lag te wachten was mij toen nog onbekend.

Ik had sinds 1938 in 't Juliana-Kinderziekenhuis in Den Haag en daar mijn opleiding tot kinderarts voltooid. Ik was toen zeer onder de indruk van het werk van prof. Schweitzer en wilde in ontwikkelingsgebieden pionierswerk gaan verrichten.

Door de oorlogstoestand kon ik niet naar de tropen afreizen, maar wat betreft het doen van ontwikkelingswerk kwam ik in de Achterhoek goed aan mijn trekken. In deze streek was nooit een kinderarts gevestigd geweest; sinds ruim een jaar werkte Henny Beekman als zodanig in Zutphen.

Ik werd in Doetinchem al spoedig Ziekenhuizen Doetinchem de ziekenhuizen binnengehaald en merkte dat er geen voorzieningen getroffen waren voor het verplegen van kinderen.

Er bestonden in de Achterhoek nog maar enkele consultatiebureau voor zuigelingen, geen enkel bureau voor kleuters, er werd bijna geen zuigelingenhuisbezoek gedaan en de kraamzorg was meestal 'wild'.

De zuigelingensterfte was hoog, de kennis van kinderverzorging veelal slecht en er waren veel slechte woningen.

Ik kwam tegenover ziektebeelden te staan die mij alleen bekend waren uit ouderwetse leerboeken; alle mogelijke deficiënties en voedingsstoornissen, uitgebreide infecties waaronder veel difterie, kinkhoest en de complicaties daarvan.

In beide ziekenhuizen was een klein zaaltje voor kinderen; bij het Wilhelmina Ziekenhuis stond een kleine barak voor infectieziekten, die vaak met volwassenen bevolkt was. Als 't nodig was in het Sint-Jozef Ziekenhuis een patiëntje geïsoleerd te verplegen was Leiden in last. We maakten gebruik van alle hoeken en gaten in het gebouw en herhaaldelijk stond een kind met meningitis of kinkhoest naast bezems en dweilen in de werkkast.

Een behandelkamer ontbrak in beide ziekenhuizen en er was weinig instrumentarium. Door de oorlogstoestand was het, vooral ná de spoorwegstaking, vaak onmogelijk 't nodige aan te schaffen.

Vaak was een intraveneus infuus nodig. We liepen dan met enige gewone injectienaalden naar de bakstenen buitenmuur en slepen het puntje van de naalden af. De verpleegsters waren voor een gedeelte ongediplomeerd maar vol toewijding en met een onvoorstelbare werkkracht. Vooral in het laatste oorlogsjaar was het vervoer zeer moeilijk. Veel moest per fiets gebeuren.

Ik heb enige malen met een ernstig uitgedroogde baby of een benauwd kinkhoestkind in mijn fietstas uit omliggende plaatsen naar Doetinchem gefietst. En 't ging meestal nog goed ook!

De laboratoriumvoorzieningen waren zeer pover, enigszins ingewikkelde bepalingen verrichtte dokter Van Terwisga in zijn woonhuis. In de voorkamer werden witte muizen gefokt. Later stelde hij een analiste aan en kwam er als laboratorium een piepklein hokje in het Wilhelmina Ziekenhuis.

Er heerste veel difterie; gelukkig konden we kweken. In 't laatste oorlogsjaar was er dikwijls geen stroom voor de broedstoof. We bonden dan met zwachtels de voedingsbodems op het lichaam van een stilliggende volwassen patiënt. De bacteriën groeiden daar uitstekend!

Zonder box-systeem (isoleerkamertjes) is kinderverpleging niet mogelijk.

Reeds in het begin van deze eeuw zei men dat in een ziekenhuis meer kinderen sterven aan ziekten die ze daar oplopen dan aan ziekten waarvoor ze werden opgenomen. Gelukkig kon ik de ziekenhuisbesturen ervan overtuigen dat isoleermogelijkheid noodzakelijk was. In 1947 werd in het Sint-Jozef Ziekenhuis een zaaltje verbouwd tot vijf boxen; een oudere grotere zaal werd veranderd in twee kinderzaaltjes. Om ook hier kruisinfecties tegen te gaan werden de bedden voorzien van glazen schotten. Dit was natuurlijk niet afdoende, bij veel geopereerde patiënten zagen we vaak wonddifterie optreden.

Deze kinderafdeling lag op de eerste verdieping. Het virus van sommige infectieziekten, zoals waterpokken, kan met de lucht overwaaien. Indien men een dergelijk patiëntje wil benaderen moet dat door de buitenlucht gebeuren en men moet daarna nog enige minuten in de buitenlucht uitwaaien. Er werd achter drie boxen in de buitenlucht een smal balkon gebouwd. Dag en nacht en in alle weersomstandigheden moesten de verpleegsters over deze vaak gladde planken hun patiënten bereiken. Ik ben nu verbaasd dat in de 23 jaar dat deze toestand bestaan heeft nooit een ongeluk is gebeurd.

In 1950 volgde een belangrijke verbetering in de kinderverpleging: bij het Wilhelmina Ziekenhuis werd een kinderpaviljoen gebouwd. Het had voldoende ruime boxen met een galerij rondom voor buitenom-verpleging, een flinke behandelkamer, een babykeuken en een zit-slaapkamer voor de hoofdverpleegster. In die tijd was het gewoonte dat deze altijd, ook 's nachts, beschikbaar was. Ik heb heel prettig in dit noodgebouw gewerkt en ik vond de overgang naar het nieuwe Wilhelmina Ziekenhuis in 1965 niet eens een grote verbetering. Toch had het gebouw wél nadelen; het kon er in de zon erg warm worden. De tussenmuren waren van bouwplaat vervaardigd en niet al te stevig. Eens is een vader door zo'n muur heen met stoel en al van de ene box in de andere gevallen. Door de warmte en droogte ontstonden er spleten naast de buizen van de centrale verwarming en de waterleiding. Met oude lappen, papier en lijm maakten we enige boxen weer geschikt voor buitenom-verpleging. Er werd eens wegens plaatsgebrek een man van 70 jaar in ons paviljoen verpleegd. Hij kreeg waterpokken en na 1½ week bleek een patiëntje uit de naastgelegen box deze ziekte te hebben opgelopen!

Er werd in de jaren vijftig veel gebouwd aan beide ziekenhuizen. De toenmalige burgemeester Boddens Hosang stelde voor één ziekenhuis te bouwen. Dit denkbeeld werd als onmogelijk haalbaar beschouwd door alle betrokkenen. In deze tijd kwam er grote verbetering in de personeelsbezetting, als afdelingshoofden waren verpleegsters met kinder-aantekening benoemd. Enige jaren later kregen we toestemming een opleiding tot kinderverpleegster te verzorgen. Met groot enthousiasme en toewijding hebben de afdelingshoofden en hun leerlingen gewerkt. Voor 1952 waren er veel opnames wegens difterie, kinkhoest en hun complicaties.

Er ontstond een belangrijke sterfte en invaliditeit door deze ziekten. Tevens was er om de vier jaar een polio-epidemie. Voor de eerstgenoemde twee ziekten bestonden goede entstoffen, maar er werd weinig geënt. Ik heb toen alle gemeentebesturen (voor subsidie), alle consultatiebureaus en huisartsen in mijn district bezocht.

In 1953 werd in mijn district, op de consultatiebureaus, overal geënt tegen kinkhoest en difterie en even later ook tegen tetanus. Het was soms moeilijk de mensen ervan te overtuigen dat voorkómen beter en ook goedkoper was dan genezen. De resultaten van deze campagne heb ik bekend gemaakt in mijn jaarverslagen en ook in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Nu deed men in het Westen vaak of Nederland langs de IJssel met kranten is dichtgeplakt. Ondanks dit feit kwam tot mijn verbazing de toenmalige Inspecteur voor de Volksgezondheid, afdeling Kinderhygiëne prof. De Haas naar Doetinchem om onze werkwijze te bestuderen.

In 1958 werd de enting tegen deze ziekten en ook tegen polio van rijkswege en op rijkskosten in het hele land ingevoerd. De Achterhoek lag dus vijf jaar voor! Aan de vele en langdurige opnames wegens kinkhoest en difterie kwam na 1952 snel een einde. Zieke pasgeborenen, die thuis geboren waren kwamen op de kinderafdeling; zieke kinderen en kraamvrouwen in het ziekenhuis bleven, ook voor behandeling, op de kraamafdelingen. Tijdens behandeling of onderzoek van zo'n baby moesten de zusters heel vaak heen en weer lopen naar de kinderafdeling om spullen te halen.

Ze maakten door deze training een goede indruk op de avondvierdaagse! In deze tijd was vaak een wisseltransfusie nodig; ook deze moest op de kraamafdeling gebeuren, vaak op de meest vreemde plaatsen.

De behandeling van zieke pasgeborenen werd veel verbeterd door de komst van de klinischchemicus dr. Van Oudheusden in 1960.

De bepaling van het ware glucose-gehalte van het bloed en later van de zuurgraad waren waardevolle bijdragen. Toch gelukte het vóór die tijd een baby geboren na 26 weken zwangerschap met een geboortegewicht van 800 gram in leven te houden. Het kind is goed opgegroeid. Omstreeks 1965 kregen we in het Sint-Jozef Ziekenhuis een paar kamers erbij en mochten daar alle kraamkinderen behandeld worden.

In 1965 werd het nieuwe Wilhelmina Ziekenhuis geopend en werd ons dierbare kinderpaviljoen afgebroken.

In 1970 volgde de grootste verbetering, de opening van een goed gebouwde, goed ingerichte kinderafdeling in het Sint-Jozef Ziekenhuis.

We werkten hier met veel plezier. Een grote stap vooruit werd gezet toen dokter Van Pelt het mogelijk maakte zieke pasgeborenen te beademen. Wij vrouwen waren stiekem erg blij als een broeder dienst had en hielp met de bediening van de toestellen; alle emancipatie ten spijt.

Al deze jaren heb ik in twee ziekenhuizen gewerkt, ik heb dit nooit erg bezwaarlijk gevonden.

In 1970 begon men over fusie tussen de ziekenhuizen te denken.

Het aantal opgenomen kinderen verminderde zodat ná mijn vertrek in 1975 de kindergeneeskunde geconcentreerd kon worden in het Sint-Jozef Ziekenhuis.

Zie ook

Bronnen