Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Stift Elten

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Gezicht op Hoog-Elten met rechts het stift op een aquarel die Jan van Call maakte in de jaren 16801685.
De abdijkerk van het stift in 2012

Het begin

Het Stift Elten werd in 967 gesticht door graaf Wichman IV van Hamaland. Een stift is een gebied waarin een hoge geestelijke wereldlijke macht uitoefent. In het Stift Elten werd die macht uitgeoefend door de abdis.

Het grondgebied van het Stift Elten was een afsplitsing van het graafschap Hamaland. Het kwam grofweg overeen het huidige Duitse gebied rond de Eltenberg dat aan drie kanten door Nederland omsloten wordt. Het graafschap Hamaland ging rond het jaar 1000 ten onder, waarna uit het zuidelijk deel het graafschap Bergh is ontstaan. Had graaf Wichman het Stift Elten niet gesticht, dan is de kans groot dat Elten Berghs was geworden en daarmee, uiteindelijk, Nederlands. Van het drostambt Elten zou dan nooit sprake zijn geweest.

Graaf Wichman stichtte het Stift na de dood van zijn enige zoon Wichman, die op 1 augustus 965 of 966 op 8-jarige leeftijd stierf. In 964 was graaf Wichman al weduwnaar geworden. Blijkbaar was hij niet van plan te hertrouwen, zodat hij geen mannelijk nageslacht meer kon krijgen. De houten burcht die hij al op de Eltenberg bezat, liet hij vervangen door een stenen gebouw. Verder schonk hij een derde van zijn goederen aan het Stift en benoemde zijn jongste dochter Liutgard tot de eerste abdis. Zij schonk haar derde deel van de erfenis eveneens aan het stift. Keizer Otto I bevestigde de stichting en de schenkingen in een oorkonde van 29 juni 968.

Het Stift beleefde een turbulent begin door de aanspraken die Adela van Hamaland, graaf Wichmans oudste dochter, maakte op de bezittingen van het Stift. Zij was de enige andere erfgenaam van de graaf en daarom niet tevreden met maar een derde van de erfenis. Met haar tweede echtgenoot Balderik van Duffelgouw heeft zij tot 1002 tevergeefs geprobeerd het Stift in handen te krijgen.

Op 14 december 973 verleende keizer Otto II de dames van het Stift het recht om hun eigen abdis te kiezen. Zo werd het Stift rijksonmiddelbaar, wat wil zeggen dat het alleen verantwoording verschuldigd was aan de keizer. Het Stift werd daarmee een kleine staat op zich, met het recht om belasting te heffen en recht te spreken in de gebieden die het bezat, waaronder Elten zelf. Deze rijksonmiddelbaarheid raakte het Stift onder keizer Hendrik IV in 1083 tijdelijk kwijt, maar kreeg het weer terug in 1129.

Tegelijk met de erkenning als Rijksstift in 973 schonk keizer Otto de Katentol op de IJssel. Dit was een tol die varende kooplieden moesten betalen bij het passeren van een bepaald punt in de IJssel. In 1241 heeft abdis Adelheid II de Katentol in eeuwige erfpacht aan Deventer gegeven. Deventer betaalde het Stift dan elk jaar op Sint Maarten "twintig ponden en tien solidi Deventerse munt" en nog zeven solidi visgeld voor de abdis. Deze bedragen zijn in de loop der tijd meermaals aangepast.

De eerste kerk van het Stift, door de eerste abdis gebouwd op de plaats van de oude burchtkapel, werd in het begin van de 12e eeuw wegens verzakking en bouwvalligheid afgebroken en vervangen door een grotere kerk. Deze nieuwe kerk werd in 1129 op bevel van keizer Lotharius III ingewijd door bisschop Sigward van Minden. Dit gebeurde onder abdis Ermgard II, die daarom in het Necrologium van Elten reaedificatrix ecclesiae genoemd wordt: zij die de kerk herbouwde.

De abdij van het Stift, gewijd aan Sint Vitus, werd bewoond door adellijke dames die geen nonnen waren in de normale zin van het woord maar kanunnikessen. Ze hoefden geen eed af te leggen en het stond hun vrij om het Stift te verlaten, wat ongeveer de helft van de stiftdames vroeg of laat deed. Om toegelaten te worden, moesten zij bewijzen dat zij tot de hogere adel behoorden. De eisen hiervoor verschilden per stift. Waar Ermgard van den Bergh in 1334 nog abdis van het Stift Elten kon worden, en Elisabeth van den Bergh in 1605 abdis van het Stift Essen, werd Wilhelmina Juliana van den Bergh afgewezen toen zij rond 1650 stiftdame wilde worden in het Stift Thorn.

De stiftdames kregen een hoofse opleiding. Maria Leopoldina van Oostfriesland-Rietberg was voor haar huwelijk met graaf Oswald III stiftdame in Elten.

De eed van de abdis

In een van de stukken die aan het Necrologium van Elten zijn toegevoegd, is de eed uitgeschreven die een abdis bij haar ambtsaanvaarding aflegde. De tekst is niet gedateerd, maar de eed is opgeschreven in de Nederlandse schrijftaal zoals die destijds in Elten gebezigd werd. Het is aan te nemen dat de abdis de eed uitsprak zoals hij hier geschreven staat.

De spelling is niet overal consequent. Zo is het eerste woord Ic, terwijl er verder ick staat, ook een keer met een hoofdletter: Ick. In plaats van de v staat er vaak een u, maar niet altijd. Zo staat er in de eerste zin uoert (voort), maar verderop staat twee keer voert (de e is hier een verlengingsteken). In uervreemden is alleen de eerste v vervangen door een u.

De tekst wordt voorafgegaan en gevolgd door enkele zinnen in het Latijn. Voorafgaand staat er dat dit de eed is die de abdis zelf bij haar verkiezing moet beloven en zweren aan God almachtig, aan Sint Vitus en aan het kapittel van deze kerk van Elten. Aan eind staat de abdis de eed aflegt met de hand op de Bijbel ("Gods heilige evangelie").



Juramentum abbatisse quod ipsa vovebit et iurabit Deo omnipotenti Sc. Vito ac Capitulo huius Ecclesie Altinensis quando eligitur. Et haec est forma.
Ic N. swere ende gelaue dat ick van desen daghe uoert aen sa sijn holt ende getrouwe der werliker kircken sunte Vijts van Elten ende den ghemeynen capittel, en dat Ick den vuerscreuen Gaetshuus haelden sal alle oere aelde rechten en ghewoenten die goet en lauelick sin gelijck dat andere abdissen mijne uoersaten ghedaen hebben. Voert soe en sal ick ghene erflike guede renthen ende luden van der vuerscreuen abdien verandersaten noch uervreemden sonder weten ende consent van den vuerscreuen kapittel. Ende sin oeck eenige guede daer af verandert ende ontvreemt daer sal ick nae staen mit minen vermogen dat die daer weder aen moegen komen. En voert sal ick elker malk arm ende rijck recht ende vonnis doen nae alle mijnre macht. Alle saken sonder argelist. Soe help my Got, sunte Vite, en alle Gaeds heiligen, et hec sancta dei euangelia Amen. Et ponet manum supra librum.


De Tachtigjarige oorlog

In 1585, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, werden de kerk en andere gebouwen van het stift verwoest. Maarten Schenk van Nydeggen, die al geruime tijd de omgeving onveilig maakte, nam de Eltenberg voor de staatse troepen in. De dames van het Stift restte niets anders dan te vluchten en zij namen hun intrek in Emmerik.

Op 2 november 1595 bezette de Spaanse veldheer Don Francesco de Mendoza Emmerik en Elten en gebruikte de ruïnes van het Stift als kamp.

In 1613 werd een begin gemaakt met de wederopbouw, hoewel het geld voor een nieuwe kerk nog ontbrak. Eerst werd puin geruimd en voor een nieuw onderkomen voor de abdis gezorgd. In plaats van de kerk werd een kleine kapel gebouwd.

In 1618 brak in het gebied van het huidige Duitsland de Dertigjarige Oorlog uit. Opnieuw werd het gebied van de Nederrijn oorlogsgebied en hoewel het Stift door de prins van Oranje gevrijwaard werd van Staatse aanvallen, werd het door andere partijen opnieuw verwoest. In 1630 werd opnieuw met de wederopbouw begonnen. Pas in 1670 zou een begin gemaakt worden met een nieuwe kerk, die echter aanzienlijk kleiner was dan de vorige. De toenmalige abdis, Maria Sophie van Salm-Reifferscheid, bekostigde de herbouw uit eigen middelen. Boven de ingang van de kerk herinnert een inscriptie aan deze herbouw.

De kerk is in de Tweede Wereldoorlog zwaar beschadigd, maar nadien met steun van Jan Herman Alexander van Heek weer hersteld.

Het einde

De opkomst van Napoleon betekende voor het Stift Elten het einde van zijn zelfstandigheid. Op 23 mei 1802 bezette Pruisen op grond van een verdrag met Frankrijk niet alleen het Stift Elten, maar ook een aantal andere kerkelijke territoria. Hiermee kregen protestanten voor het eerst de mogelijkheid zich in op Eltens grondgebied te vestigen. Op 25 februari 1803 maakte de Reichsdeputationshauptschluss een einde aan de zelfstandigheid van het Stift. Het gebied werd toen officieel toegewezen aan Pruisen, dat het indeelde bij het Landkreis Wezel.

De Reichsdeputationshauptschluss was een belangrijk besluit van de Rijksdag van het Heilige Roomse Rijk (het "Duitse Keizerrijk" zoals dat van 962 tot 1806 heeft bestaan), waarmee het aantal soevereine staten binnen het Rijk werd teruggebracht van achttienhonderd naar ongeveer zestig. Een grote groep staten die verdwenen waren de kerkelijke territoria met wereldlijke macht. Op het aartsbisdom Mainz na verloren deze bisdommen, stiften en abdijen hun wereldlijke macht. Ze werden geseculariseerd en toegewezen aan wereldlijke vorsten; in het geval van het Stift Elten was dit de koning van Pruisen.

De Reichsdeputationshauptschluss had ook gevolgen voor de bezittingen van Anton Alois van Hohenzollern-Sigmaringen, die destijds de graaf van Bergh was.

Na de inlijving maakte koning Friederich Wilhelm III van Pruisen een einde aan het kiesrecht dat de stiftsdames van keizer Otto II hadden gekregen. Tegen de wil van het Stift en de bevolking benoemde hij de 8-jarige Friederike Radziwill in 1805 tot abdis. De koning dwong ook af dat er nu protestantse dames in het stift mochten intreden. Dit had ook gevolgen voor Elten, dat tot dan toe door het Stift geregeerd werd: ook protestantsen mochten zich nu in de stad vestigen.

In 1806 viel het Stift dan onder het groothertogdom Berg, een kunstmatige staat door Napoleon in het leven geroepen, met zijn zwager hertog Joachim Murat aan het roer. Deze Murat benoemde, met toestemming van Napoleon, zijn 8-jarige dochter Laetizia tot abdis.

Op 18 maart 1811 werd het Stift op bevel van Napoleon opgeheven. De kerk van het Stift werd de parochiekerk van Hoog-Elten. In 1832 werden de abdijgebouwen verkocht voor sloop. Tegenwoordig resten behalve de kerk nog drie andere gebouwen:

  • Het huis van de abdissen uit het geslacht Manderscheid-Blankenheim naast de Drususbron. Op de gevel van het huis staat:
M(aria) F(ranziska) Z(u) M(anderscheid) B(lankenheim) D(echantin) Z(u) E(lten) P(röpstin) Z(u) V(reden).
  • Het huis van de abdissen uit het geslacht Salm-Reifferscheid ten westen van de kerk. Tegenwoordig is er het jezuïtische Stanislauscollege gevestigd. Op de gevel van het huis staat:
A(nn)O 1667
A(nna) S(alome) F(ürstin) Z(u) E(ssen) C(üsterin) Z(u) E(lten) G(räfin) Z(u) S(alm) U(nd) R(eiferscheidt)
  • Een kleiner huis tussen het abdissenhuis van Salm-Reifferscheid en de kerk.
Het huis gebouwd door abdis
Maria Francisca I van Manderscheid-Blankenheim
Het huis gebouwd door kosteres
Anna Salome van Salm-Reifferscheidt

In 1964 en 1965 werden uitgebreide archeologische opgravingen uitgevoerd op het vroegere terrein van de abdij. Daarbij werden enkele resten van de oorspronkelijke burcht gevonden en konden de verschillende bouwfasen van de stiftkerk bepaald worden. Een paar meter ten zuidoosten van de huidige kerk werden een aantal graven gevonden met daarin met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een deel van de familie van graaf Wichman (waaronder zijn vrouw Liutgard) en van abdis Ermgardis († 1129).

Bezittingen in Bergh

Het Stift Elten bezat in Bergh meerdere boerderijen:

Abdissen

De abdissen van het Stift Elten waren, zoals dat ook in de andere vrouwenstiften het geval was, leden van de hogere adel. Bij gevolg waren zij allemaal familie van elkaar, vaak ook – maar meestal niet te nauw – van de graven van Bergh. Vanaf het begin van de zestiende eeuw zijn de familiebanden bekend. Ze worden op de individuele pagina's vermeld.

De aanduidingen achter de namen betekenen het volgende:

  • AHB: de abdis komt met naam voor in het Archief Huis Bergh
  • NE: de abdis wordt vermeld in het Necrologium van Elten
  • B, F, N, T, V: de abdis was ook abdis in Borghorst en/of Freckenhorst en/of Nottuln en/of Thorn en/of Vreden

De laatste stiftsdames

Bij de opheffing van het Stift op 18 maart 1811 waren er nog zes stiftsdames. Zij deelden levenslang in de inkomsten die het Stift vergaarde aan pachtgeld en dergelijke, en genoten bovendien een jaarlijks presentiegeld van 1785 gulden en tien stuivers. Zoals uit de individuele pagina's blijkt, woonden de meeste van hen na (of zelfs al voor) de opheffing niet meer in Elten.

Naast abdis Letizia Murat waren de laatste stiftsdames:

Bronnen