Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Vinck, Jan

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Prent van de gevelsteen met een wildschut van het pand Nieuwe Nieuwstraat 1 in Amsterdam

Wildschut van de graven van Bergh

Jan Vinck was wildschut in dienst van de graven van Bergh. In deze functie was hij zowel jachtopziener als jager. Hij handhaafde het jachtrecht van de graven, en het wild dat hij in hun opdracht ving of schoot was uitsluitend bestemd voor de grafelijke keuken.

Madeleine de Cusance, de weduwe van graaf Albert, nam hem in 1666 in dienst, nadat zij al enkele jaren losse overeenkomsten over de jacht op klein wild met hem had gesloten. Maria Leopoldina van Oostfriesland-Rietberg, de weduwe van graaf Oswald III, ontsloeg hem in 1713 wegens hoogen ouderdom.

Jan Vinck werd omstreeks 1630 geboren en groeide op in Boxmeer en Sambeek. Zijn vader heette Peter Pouwels, zodat Jan als zoon van Peter bekend stond als Jan Peters. Peter Pouwels was wildschut in dienst van graaf Albert op het kasteel in Boxmeer. Een van zijn taken was het vangen van vinken, zodat hij de bijnaam Peter de Vinckenvanger kreeg. Die verkortte tot Peter de Vinck en later tot Peter Vinck, waarmee de familienaam was geboren. Jan Peters ging verder als Jan Vinck door het leven.

Jan leerde zijn vak door zijn vader al jong te helpen bij diens taken als jager, vinkenvanger en opzichter van de Warande. De Warande, ook genaamd Sassefrant of konijnenwarande, was een afgesloten terrein bij Boxmeer dat speciaal bestemd was voor de jacht op konijnen. Vanaf 1656, het jaar waarin graaf Albert overleed, kwam hij regelmatig in Bergh. Dit werd zijn werkgebied toen hij in 1666 als wildschut in dienst werd genomen. Daarnaast werd hij vorster van het Bergherbos. Hij ging in Stokkum wonen, waar hij rond 1675 trouwde met Anna Palant, een dochter van wildschut Derck Palant. Hun kinderen ontvingen de familienaam Vinck.

Op patrijzenjacht

Jacht op patrijzen in 1578 met onder meer een jager verborgen in een schilt in de vorm van en koe.
Links een sack waarmee patrijzen gevangen werden. De wat grotere uitvoering rechts is voor kwartels. De man links draagt een schilt, maar in een simpeler uitvoering dan op de afbeelding hierboven.

Als wildschut bleef Jan Vinck vinken vangen, en ook hazen, konijnen en snippen. In het najaar was zijn belangrijkste taak het vangen van patrijzen. Deze vogels, ook veldhoen genaamd, werden levend gevangen en daarna in het kasteel gehouden tot ze geslacht werden. Hoe ze gevangen werden, is hiernaast afgebeeld en wordt hieronder uitgelegd.

Uit 1664, 1665 en 1666 is bekend dat hij in die jaren achtereenvolgens 48½, 119 en 174½ koppels patrijzen heeft gevangen. Voor elk koppel kreeg hij acht stuivers uitbetaald. In 1664 kwam dat op negentien gulden en acht stuivers. In 1665 zou hij 48 gulden hebben verdiend als hij, zoals de bedoeling was 120 koppels had gevangen, maar er ontbrak één koppel, dus kreeg hij acht stuivers minder. In 1666 was het bedrag 69 gulden en zestien stuivers. Deze aantallen en bedragen zijn bekend uit boekhouding van Huis Bergh, omdat Jan toen nog niet in vaste dienst was.

Op 24 november 1666, de dag dat hij zijn loon voor de vangst van dat jaar kreeg uitbetaald, nam gravin Madeleine hem in vaste dienst voor een jaarsalaris van vijftig gulden. Dat was minder dan de bijna zeventig gulden die hij toen voor alleen de patrijzenjacht uitbetaald had gekregen! Toch was de overeenkomst voor beide partijen gunstig. De gravin was goedkoper uit, en Jan was niet alleen verzekerd van een vast jaarinkomen, maar ook van neveninkomsten die zijn functie meebrachten. Zo kreeg hij schietgeld voor het doden van "schadelijk" wild als vossen en wilde katten, had hij recht op een deel van de boetes die betrapte stropers, houtdieven en andere overtreders moesten betalen, en kreeg hij kost en inwoning als hij voor zijn werk niet thuis kon overnachten.

Nadat Jan in vaste dienst was getreden, werden gevangen patrijzen niet meer apart in de boekhouding vermeld. Hij werd daar niet meer apart voor betaald, maar de patrijzenjacht bleef wel een belangrijke taak. In de jaren 1671674 ging hij elke herfst een aantal keren naar de heerlijkheden Gendringen en Etten om patrijzen te vangen; soms met een andere jager, maar meestal alleen. In de boekhouding van Huis Bergh zijn de vergoedingen terug te vinden die zijn uitbetaald aan de pachters bij wie Jan (en zijn metgezel) tijdens de jacht in de kost zijn geweest. Toen Jan en zijn broer Guert in 1671 een week op een goedt tot Mechelen hadden gelogeerd, kreeg de pachter als vergoeding dertig stuivers, nog geen twee stuivers per persoon per dag. Dat bedrag werd echter al gauw zes en in een enkel geval acht stuivers per dag.

In 1674 vestigde graaf Oswald III zich definitief op Huis Bergh. Zijn moeder, gravin Madeleine, was het hier niet mee eens, maar zij trok zich terug op het kasteel in Boxmeer. Graaf Oswalds komst betekende meer bedrijvigheid op Huis Bergh, dus ook meer behoefte aan wild voor de grafelijke keuken. Aanvankelijk kreeg Jans vader Peter Pouwels de taak hiervoor te zorgen, maar die werkte ook nog voor de gravin in Boxmeer. Zijn heen en weer gereis tussen Boxmeer en 's-Heerenberg was te omslachtig en duur, zodat graaf Oswald in 1675 besloot Jan Vinck als zijn hofjager aan te stellen. Een nieuwe taak daarbij was het maken en onderhouden van netten voor de jacht en de visserij. Dit werk deed hij samen met zijn vrouw Anna Palant.

Jan en zijn vrouw maakten ook de netten die gebruikt werden bij de jacht op patrijzen. Voor die jacht bestonden verschillende methodes. Zo werd er gebruik gemaakt van de neiging die patrijzen hebben zich bij naderend gevaar tegen de grond te drukken en stil te blijven zitten. Met een afgerichte hond kon een groep patrijzen worden stilgezet, waarna twee mannen er snel een groot net overheen trokken.

Jan ging echter vaak alleen op patrijzenjacht, dus moet hij de vogels op een andere manier hebben gevangen. Op 19 oktober 1717, toen hij al bij de negentigh jaer was, vertelde hij zelf hoe hij het deed. In dat jaar liep er een proces tegen de graven van Bergh over de jachtrechten in het Land van Cuijk, niet ver van Boxmeer. Een aantal gerechtsambtenaren kwam naar zijn huis in Stokkum om hem te ondervragen over de jachtpraktijk in vroeger jaren in het Land van Cuijk. Daarbij vertelde hij dat hij patrijzen ving met sack en schilt.

Sack en schilt

Het ligt voor de hand dat Jan Vinck ook in Bergh met sack en schilt heeft gejaagd. Een schilt is een soort vermomming als koe of paard – een licht raamwerk met daaroverheen een doek waar een koe of paard op geschilderd is. Aan de binnenkant van het raamwerk zaten handvaten, zodat de sack gemakkelijk verplaatst kon worden. Door een aantal kijkgaten kon de jager de patrijzen in de gaten houden.

Aldus vermomd bewoog de jager zich over het veld in de richting van de patrijzen. Door bij de nadering zachtjes te kuchen, fluiten of neuriën probeerde hij ze naar de sack te laten lopen. Hij moest dan oppassen ze niet te veel op te schrikken, zodat ze niet zouden wegvliegen. Het vergde dan ook veel geduld de vogels de sack in te drijven.

De sack was een zakvormig net van een meter of vijf, zes lang, die werd opengehouden door een aantal houten ringen of vierkanten die met een pin in de grond werden verankerd. Het uiteinde van de sack was zodanig met een koord dichtgebonden dat hij gemakkelijk geopend kon worden om de gevangen patrijzen eruit te halen. Links en rechts van de opening van de sack stonden de vleugels, rechtopstaande netten van ongeveer een halve meter hoog en in V-vorm opgesteld, die de patrijzen naar de ingang van de sack leidden. Dan was er nog de hemel, een driehoekig net dat, als een luifel boven de ingang van de sack was aangebracht en aansloot bij de vleugels. Hiermee heeft Jan Vinck jarenlang patrijzen gevangen voor de graaf van Bergh.

Bronnen