Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Wied-Runkel, Magdalena van

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Abdis in Nottuln en Elten

Magdalena van Wied-Runkel werd op 15 maart 1544 gekozen tot negentiende abdis van het Stift Elten als opvolgster van Veronica van Reichenstein. Zij werd omstreeks 1514 geboren als dochter van Jan III van Wied-Runkel en Elisabeth van Nassau-Dillenburg. Haar moeder was een tante van Maria van Nassau.

Haar achternaam komt, meestal zonder de toevoeging Runkel, in diverse vormen voor. Naast Van Wied zijn aangetroffen tho Weedt, tho Wied, Van Weed, Van Wede, Van Weida en Van Wiedt.

Voor zij in 1544 abdis van het Stift Elten werd, was zij al sinds 7 februari 1537 abdis van het Stift Nottuln bij Münster in Westfalen (maar pas op 13 september 1542 in haar ambt bevestigd door de bisschop van Münster). Na haar benoeming in Elten is abdis Magdalena daar gaan wonen. Een van haar latere opvolgsters in Nottuln was Elisabeth van den Bergh, een dochter van haar nicht Maria van Nassau.

Op 15 februari 1565 bepaalde abdis Magdalena in haar testament dat het Stift Nottuln zeshonderd rijksdaalders zou krijgen voor herstelwerkzaamheden aan het abdijgebouw.

Na een ambtsperiode van 28 jaar overleed zijn op 23 mei 1572 en werd opgevolgd door Margaretha van Manderscheid-Blankenheim. Haar overlijden is niet opgetekend in het Necrologium van Elten.

Familiebanden

Abdis Magdalena was de enige abdis uit het geslacht van Wied-Runkel, maar zij was een tante van de eerste van zes abdissen uit het geslacht van Manderscheid-Blankenheim. Haar opvolgster Margaretha van Manderscheid-Blankenheim was namelijk een dochter van haar zus Margaretha van Wied-Runkel en Arnold I van Manderscheid-Blankenheim. De laatste van de zes was Maria Francisca II van Manderscheid-Blankenheim, die in 1784 overleed.

Abdis Maria Francisca II was via een van haar nichten familie van de graven van Van Salm-Reifferscheidt. Dit geslacht heeft niet alleen een drietal abdissen heeft voortgebracht, maar is ook in rechte lijn verwant met Wilhelm II van Reichenstein, de vader van abdis Magdalena's voorgangster Veronica van Reichenstein. Waarmee de cirkel rond is.

In deze stamboom vormt Maria van Nassau echter een kortere verbinding tussen Magdalena van Wied-Runkel en Veronica van Reichenstein. De link is Walburg van den Bergh, die niet alleen een oudtante was van Maria's echtgenoot Willem IV van den Bergh, maar ook de schoonmoeder van Georg van Limburg Stirum, een zoon van Veronica van Reichensteins zuster Elisabeth.

Abdis Magdalena was in 1557 een van de peettantes van Magdalena van den Bergh, het eerste kind van Maria van Nassau en graaf Willem IV. Een van haar peetooms was Hermann Georg van Limburg Stirum, kleinzoon van Walburg van den Bergh, die in 1563 de vader zou worden van de latere abdis Agnes van Limburg Stirum.

Maria van Nassau onderhield ook met andere leden van de familie Van Wied-Runkel contact. Haar derde kind Frederik kreeg in 1559 abdis Magdalena's broer Frederik IV van Wied (15181568) als peetoom.

Documenten in het archief van Huis Bergh

Het archief van Huis Bergh bewaart een aantal oorkonden die abdis Magdalena betreffen, en ook een aantal brieven van haar. Uit deze documenten blijkt dat het Stift Elten in verschillende delen van het Bergherbos percelen in bezit of in gebruik had.

Oorkonden

  • Op 7 mei 1546 werd op verzoek van graaf Oswald II (die twee dagen later onverwacht zou overlijden) vastgelegd dat abdis Magdalena als "erfholtrichterse" in de Beekermark alleen de breuken mocht innen die haar volgens het markerecht (het gebruiksrecht van gemeenschappelijke gronden) toekwamen. Overige breuken waren voor de graaf. De betekenis van het woord breuken is niet duidelijk. Mogelijk worden er omgewaaide bomen en afgewaaide (grote) takken mee bedoeld.
  • Op 11 maart 1567 ondertekenden abdis Magdalena, decanes Margaretha van Manderscheid-Blankenheim (haar nicht, die haar in 1572 zou opvolgen) en Elisabeth van Sayn een akte waarmee Andries van Broecheze, ambtman te Elten aan Arnt Teykynck en diens vrouw Elisabet voor twaalf jaar het gerstland op het Oesterfeld tussen Gendringen en Wieken verpachtte. (Elisabeth van Sayn was in 1572 ook kandidaat om abdis Magdalena op te volgen. Na niet gekozen te zijn, werd zij in 1578 abdis in Essen.)
  • Op 28 september 1569 bevestigden abdis Magdalena en Derick van der Nottelen hun zegels aan een akte die vastlegde dat Lambert Louwerman en Derick van der Nottelen enige landerijen in Groot-Azewijn hadden geruild, waarvan een deel leenroerig was aan het Stift Elten.

Brieven

De meeste brieven van abdis Magdalena in het archief van Huis Bergh zijn gericht aan graaf Willem IV, de man van haar nicht Maria van Nassau. Ze betreffen zakelijke aangelegenheden die voortvloeiden uit het feit dat het grondgebied van het Stift grensde aan dat van Bergh.

  • Op 22 oktober 1560 vroeg zij graaf Willem om voor zijn aanstaande afwezigheid zijn bevelhebbers opdracht te geven om onregelmatigheden bij de houtdelingen in Korterbos te beletten.
  • Op 3 januari 1561 vroeg zij graaf Willem om teruggave van het halve slag hout in de Beekermark, dat haar wederrechtelijk onthouden werd. Graaf Willem antwoordde al de volgende dag met de mededeling dat hij Johan Masschop, kerkmeester te Beek, over deze zaak had gehoord, en verzocht haar nu haar bewijsstukken over te zenden. Hoe deze zaak verder is afgehandeld, blijkt niet uit de archiefstukken.
  • Op 11 november 1561 vroeg zij graaf Willem om tussenkomst in de moeilijkheden waar de veerman mee te maken kreeg bij het aanleggen bij het Tolhuis. De Rijn stroomde destijds nog direct langs het Stift Elten. Tegenwoordig ligt hier een dode rivierarm in de vorm van de Oude Rijn.
  • Op 18 juni 1565 vroeg zij graaf Willem om de schapen die van haar onderdaan Henrick Luitgins waren gestolen, te laten aanhouden en terug te geven.
  • Op 16 september 1565 vroeg zij graaf Willem om toezending van een rekwest van haar onderdaan Henrick Lap en zijn vrouw Veronica met verzoek hierin toe te stemmen.
  • Op 12 juli 1567 vroeg zij graaf Willem om antwoord op een eerdere brief over een aanhoudende klacht dat haar jager wild zou schieten in het land van Bergh. Zij twijfelde aan de waarheid hiervan, maar graaf Willem antwoordde dat het niet de eerste keer was dat dit gebeurde.
  • Op 6 december 1567 vroeg zij graaf Willem om inpoting in het Stokkumerbos en het Korterbos.

Verder zijn er nog twee ongedateerde brieven uit de periode 1565–1572 aan haar nicht Maria van Nassau. Ze zijn persoonlijker van aard dan de brieven aan graaf Willem, maar beide hebben wel een praktische aanleiding. In de ene brief verzocht zij haar nicht om een of meer paarden te kunnen kopen, de andere gaat over de zending van ossen en boter via Emmerik.

Bronnen