Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Willem IV van den Bergh

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Willem IV van den Bergh als 21-jarge. Dit portret uit 1558 is gemaakt door een volgeling van de schilder Anthonie Mor. Het is nu in het bezit van de National Gallery of Art in Washington DC, waar het als titel heeft Portrait of a Young Man. Het wordt niet tentoongesteld.

Zijn jeugd

Willem IV van den Bergh werd op 24 december, kerstavond 1537 geboren in 's-Heerenberg als zoon van Oswald II van den Bergh en Elisabeth van Dorth. De naam Willem kwam in het geslacht Van den Bergh vaker voor. Klik hier voor een overzicht.

Willems ouders overleden al vroeg. Zijn moeder stierf in december 1545 bij de geboorte van haar zesde kind; zijn vader overleed in mei 1546 onverwacht tijdens een bezoek aan Zutphen. Willem was toen nog minderjarig, zodat er een voogdijregeling ingesteld moest worden. Dit was ook gedaan voor zijn vader Oswald II na het overlijden van diens vader in 1511. Tot Willems voogden werden twee neven van zijn vader benoemd. Dit waren Maximiliaan van Egmond (15091548) uit het geslacht van Willems grootmoeder Anna van Egmond, en Joost van Bronckhorst (15031553), zoon van zijn oudtante Machteld van den Bergh. Deze momberheren werden bijgestaan door een regentschapsraad van zeven bevelhebbers onder leiding van landdrost Bernt van Hackfort.

De voogden stuurden Willem en zijn broer Oswald naar een school in Leuven. Dit leidde tot een ontmoeting met keizer Karel V in diens paleis in Brussel. De keizer vroeg de broers aan zijn hof te blijven, wat ook gebeurde. Willem was daar tot 1549; Oswald bleef tot 1552. In die tijd hebben zij Willem van Oranje leren kennen, die ook aan het keizerlijk hof verbleef.

Hoelang de voogdij geduurd heeft, is onduidelijk. In documenten die bewaard worden in het archief van Huis Bergh wordt Willem in 1554 voor het eerst aangeduid als graaf van Bergh. In oudere stukken is er steeds de toevoeging dat hij nog onmondig is.

Huwelijk en gezin

Op dit beschadigde document staan gegevens over het huwelijk van Willem IV van den Bergh en over de geboorte en doop van zijn eerste zeven kinderen. De gegevens zijn verwerkt in de pagina's van de betreffende personen.

Het is aannemelijk dat de kennismaking met Willem van Oranje er (mede) de oorzaak van was dat Willem van den Bergh trouwde met Maria van Nassau, de oudste nog levende zuster van de prins van Oranje.

Op 13 september 1556 vertrok Willem van 's-Heerenberg naar kasteel Dillenburg, het stamslot van de Nassaus in Hessen. Het huwelijk werd op 11 november gesloten op het kasteel in Meurs. Willem was nog net geen negentien en Maria was zeventien jaar oud. Op het kasteel in Meurs woonde Maria's oudere halfzuster Magdalena van Nassau (15221567), die getrouwd was met Herman van Nieuwenaar (Hermann von Neuenahr), graaf van Meurs.

Op 28 februari 1557 hielden Willem en Maria hun feestelijke intocht in 's-Heerenberg. Maria had daar een protestante predikant in dienst en ook Willem had protestante sympathieën.

Uit dit huwelijk werden zestien kinderen geboren. Gegevens over de eerste zeven kinderen, en over de huwelijkssluiting, staan op het hiernaast afgebeelde document, dat bewaard wordt in het archief van Huis Bergh. In twee gevallen is er later een aantekening over het overlijden toegevoegd. Van Schilfgaarde publiceerde in 1927 een transcriptie van dit beschadigde document. Mogelijk heeft er een tweede blad bestaan met de gegevens over de andere negen kinderen.

Bij de dood van graaf Willem in 1586 waren er van zijn kinderen nog dertien in leven.

In dienst van Oranje

De eerste jaren van Willems huwelijk verliepen rustig. Weliswaar werd er bijna elk jaar een kind geboren, maar er was tijd voor familiebijeenkomsten en feesten. In 1560 liet Willem de Kaatsbaan bouwen, waar hij met zijn gasten deze balsport kon beoefenen.

In dit bestaan kwam verandering door de toenemende onderdrukking van protestanten in de Spaanse Nederlanden. Om meer godsdienstvrijheid te eisen overhandigden ongeveer tweehonderd edelen op 5 april 1566 in Brussel het Smeekschrift der Edelen aan de Spaanse landvoogdes Margareta van Parma. De eis werd niet ingewilligd, wat in 1568 leidde tot het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog.

Willem steunde het Smeekschrift, maar was net te laat om bij de overhandiging aanwezig te zijn. Pas de volgende dag reed hij met groot gevolg Brussel binnen. Hoewel het Smeekschrift weinig effect had, bleef Willem het steunen. Hij aarzelde echter toen er troepen geworven werden voor het geval de Spaanse koning Filips II een oorlog zou beginnen tegen zijn Nederlandse gewesten. Ook in Gelre namen de spanningen tussen katholieken en protestanten toe, maar Willem stelde zich zo veel mogelijk neutraal op. Toen in 1567 de hertog van Alva met een Spaanse legermacht aankwam om orde op zaken te stellen, werd Willem de grond te heet onder de voeten en vluchtte met zijn gezin naar Keulen. Daar konden zij een woning van Jan van Nassau betrekken. Toen in het jaar daarop de Tachtigjarige Oorlog uitbrak, namen de Spanjaarden al zijn bezittingen in beslag.

Willems broer Frederik greep deze inbeslagname aan om een deel van de Berghse bezittingen op te eisen. Hij kwam daarmee terug op de erfdeling die hij in 1560 met zijn broers Willem en Oswald waren overeengekomen. Zo kon Frederik, mede omdat hij altijd trouw is gebleven aan de Spaanse koning Filips II, de heerlijkheden Boxmeer en Hedel in bezit nemen. De onenigheid tussen Willem en Frederik is tijdens hun leven nooit tot een oplossing gekomen. Volgens Frederik was zijn instemming met de boedelscheiding van 1560 door bedrog was verkregen.

In ballingschap raakte Willems gezin verspreid. Zijn drie oudste zoons verbleven lang op kasteel Dillenburg, het stamslot van de Nassaus. In de correspondentie van Willem van Oranje zijn brieven bewaard gebleven die zij met hun Nassause neven aan hun oom hebben geschreven.

In de het voorjaar van 1572 had Willem bij Wezel een leger van vijf- tot zesduizend man verzameld. Als onderdeel van een groter invasieleger van Willem van Oranje veroverde hij hiermee vanaf mei 1572 een reeks steden in Gelre en Overijssel op de Spanjaarden, waaronder Doesburg, Doetinchem en Zutphen. De Spanjaarden heroverden Zutphen echter op 17 november 1572 en richtten een bloedbad aan onder de bevolking. Hierna trok Willem zich met zijn leger terug naar Duits grondgebied. Zijn vrouw Maria was bij hem, verkleed als dienstbode. Op de vlucht is zij bevallen van een tweeling; haar zonen Adolf en Lodewijk. In hetzelfde jaar was dochter Elisabeth overleden, negen jaar oud. Uiteindelijk belandde Willem met zijn gezin in Bremen, waar in 1573 zoon Hendrik werd geboren.

Na de Pacificatie van Gent in november 1576 kreeg Willem zijn bezittingen en zijn rechten terug. Zo kon hij in 1577 terugkeren naar Bergh, waar hij zijn kastelen geplunderd en verwoest aantrof. Door achterstallige pachten en renten te innen, verbeterde zijn situatie en kon hij herstelwerk laten uitvoeren. Van de Staten van Gelderland of de Staten Generaal heeft hij echter nooit een vergoeding ontvangen voor de geleden schade.

Op politiek terrein had hij minder succes. Als teken van eerherstel wilde hij stadhouder van Friesland worden, maar dat is hem niet geluk. Ook stadhouderschap van Gelre en Zutphen kreeg hij niet; in 1578 werd zijn zwager Jan van Nassau op die post benoemd. Dit stelde hem zo teleur dat hij contact zocht met de Spaanse landvoogd Don Juan en diens opvolger Alexander Farnese, de hertog van Parma. Hij overwoog over te lopen naar de Spaanse kant, maar zoals vaker stelde hij zich weifelend op. Zo kon het dat hij in 1581, toen Jan van Nassau aftrad, alsnog stadhouder van Gelre en Zutphen werd. Hij ging toen wonen in het Hof van Gelre in Arnhem.

In dienst van Spanje

Vanwege Willems contact met de Spaanse landvoogd waren zijn zwager Willem van Oranje en anderen niet overtuigd van zijn trouw. Op de Gelderse Landdag in Arnhem in november 1583 werden bij een van Willems dienaren belastende documenten gevonden, waarop Gelderse kanselier Elbertus Leoninus op 5 november opdracht gaf Willem en zijn gezin te arresteren. Zij werden per schip naar Dordrecht afgevoerd, waarna zij nog een tijd in Delfshaven hebben doorgebracht.

Willem van Oranje gebruikte zijn invloed om zijn zus en zwager vrij te krijgen. Zo kon Willem in maart 1584 een akkoord tekenen waarin hij beloofde zich in het vervolg neutraal op te stellen. Hij werd vrijgelaten, waarna hij zich op kasteel Ulft vestigde. Echter, kort daarna liep hij met zijn zonen openlijk over naar de Spaanse kant. Hij had tijd nodig gehad om tot dit besluit te komen. Toen hij op Huis Bergh het Document van Overgang tekende, was voor alle aanwezigen te horen hoe zijn vrouw steunde.

Zijn zonen Herman, Frederik en Hendrik bereikten hoge posten in het Spaanse leger, maar het overlopen heeft voor Willem zelf weinig meer kunnen betekenen. Al op 6 november 1586 overleed hij op slot Ulft, nog maar 48 jaar oud. Huis Bergh werd op dat moment bezet door troepen van Oranje, zodat hij niet in de grafelijke grafkelder begraven kon worden. Hij werd bijgezet in de kelder van een van de kleine torens van kasteel Ulft. Na hem zijn zijn vrouw, zijn dochters Juliana en Wilhelmina, en zijn zonen Oswald, Adam en mogelijk ook Lodewijk hier bijgezet.

In de loop van de 18e eeuw raakte kasteel Ulft in verval en werd geleidelijk aan afgebroken. In 1761 werd de toren met de stoffelijke resten gesloopt, waarna de doodskisten werden overgebracht naar de kerk in Gendringen. Bij de grote brand van Gendringen in 1830 is ook de kerk in vlammen opgegaan. In 1955 zijn bij opgravingen ter plekke menselijke beenderen gevonden, maar die konden niet aan de grafelijke familie worden gerelateerd.

Na Willems dood trad zijn vrouw Maria aan als regentes en volgde daarbij een strikt neutrale koers.

Willems tijdgenoten en historici na hen hebben heel negatief geoordeeld over zijn overlopen naar de Spanjaarden, maar tegenwoordig wordt een milder standpunt ingenomen. Willem was verbitterd door de geringe erkenning en het uitblijven van compensatie voor zijn jarenlange inzet in de strijd tegen de Spanjaarden. In de zestiende eeuw waren dit zaken waar een edelman zonder meer op rekende. Verder zag Willem zichzelf in de traditie van zijn overgrootvader Oswald I, die in 1486 door keizer Frederik III tot rijksgraaf van het Heilige Roomse Rijk werden verheven. Hij was toen geen verantwoording meer schuldig aan zijn leenheren, maar alleen aan de heersende monarch. Voor Willem was dit de koning van Spanje, tevens heer der Nederlanden.

Muntheer in 's-Heerenberg, Hedel en Harderwijk

De graven van Bergh bezaten het muntrecht in 's-Heerenberg, Dieren en Hedel. In de tijd van graaf Willem streefde het centrale gezag van de Spaanse landvoogd in Brussel en van de Staten-Generaal en ook in het Duitse Rijk ernaar de muntslag te centraliseren en tot een nationale munt te komen. Het heerlijke muntrecht werd daarom steeds minder getolereerd, maar in het oosten en zuiden van de Nederlanden bleven heerlijke munthuizen uit winstbejag munten met een te laag gehalte aan edelmetaal slaan, en munten van grotere munthuizen werden er nagemaakt. Zij werden aangeduid als hagemunten.

Graaf Willem heeft gedurende twee periodes munten laten slaan. In de eerste periode van 1555 tot zijn vlucht in 1567 heeft hij munten geslagen in de Nije Monte in 's-Heerenberg. Zijn muntmeesters waren achtereenvolgens Matthijs van Vierssen, Nicolaas van Essen, Johan Fleming en Wilhelm Senger. De twee laatst genoemden waren in 1565 en 1566 gelijktijdig werkzaam in de Nije Monte. Er zijn geen aanwijzingen dat er daarna tot graaf Willems vlucht in november 1567 nog een andere muntmeester in 's-Heerenberg is geweest.

In 1565, aan het eind van zijn eerste muntperiode, heropende graaf Willem de munt in Hedel. Dit munthuis was honderd jaar eerder een aantal jaren in bedrijf geweest onder heer Willem II, die in 1465 was overleden. Nicolaas van Essen, overgeplaatst van 's-Heerenberg, werd de muntmeester in Hedel. Ook hier moest de muntslag na graaf Willems vlucht in 1567 gestaakt worden. Na zijn terugkeer uit ballingschap in 1577 kon graaf Willem het Hedelse munthuis niet meer in gebruik nemen, omdat tijdens zijn afwezigheid zijn broer Frederik de heerlijkheid Hedel in bezit had genomen.

In 's-Heerenberg kon graaf Willem in 1577 wel aan zijn tweede muntperiode beginnen en stelde daar Clemens van Eembrugge aan als zijn muntmeester. De oorlogsomstandigheden dwongen hem in 1582 de munt te verplaatsen naar Harderwijk, waar hij het echtpaar Catharina Fleming en Johan van Schevickhaven als muntmeesters aanstelde. In naam was dit geen verplaatsing van het Berghse muntrecht (dat ooit door de aartsbisschop van Keulen was verleend), maar van het Dierense muntrecht (dat ooit door de hertog van Gelre was verleend). In Dieren zijn echter nooit munten geslagen. De muntslag in Harderwijk moest al in 1583 worden gestaakt.

In 1585 heeft graaf Willem nog een poging gedaan op kasteel Ulft een munthuis op te richten. Dit was kort nadat hij naar de Spanjaarden was overgelopen. Huis Bergh was in handen van Staatse troepen, maar Ulft werd nog door Spaanse troepen bezet. Clemens van Eembrugge zou muntmeester moeten worden, maar door graaf Willems overlijden in 1586 is het project op niets uitgelopen. De Berghse muntslag was hiermee voorgoed ten einde. Alleen in Stevensweert zijn in de periode 16161632 nog Berghse munten geslagen.

Correspondentie met Willem van Oranje

In de overgeleverde correspondentie van Willem van Oranje (die online beschikbaar is; zie bronnen) bevinden zich 53 brieven die Willem van den Bergh en Willem van Oranje aan elkaar hebben geschreven. Daarvan zijn er 24 van de prins aan de graaf en 29 van de graaf aan de prins. Van die 29 zijn er vijftien vanuit 's-Heerenberg verstuurd. Ze zijn meestal in het Duits geschreven, maar ook weleens in het Frans. Ze beslaan de periode 1560-1583; van vier jaar na zijn huwelijk met Maria van Nassau tot het jaar dat hij brak met zijn zwager en overliep naar de Spanjaarden.

Niet alle brieven zijn de verzonden originelen. In een aantal gevallen is het overgeleverde document een ontwerp (kladversie), een minuut (afschrift dat de afzender bewaarde) of anderszins een kopie. De brieven zijn meestal door een secretaris geschreven en daarna door de afzender ondertekend, in een aantal gevallen voorafgegaan door een naschrift in de hand van de afzender. Het archief van Huis Bergh heeft aldus geen originele brieven van Willem van den Bergh (uit deze correspondentie), want die zijn verstuurd, maar wel minuten. De originelen liggen bijna allemaal in het Koninklijk Huisarchief in Den Haag. Voor de brieven van Willem van Oranje geldt het omgekeerde.

De overgeleverde brieven zijn slechts een deel van het werkelijke aantal dat toen geschreven is. De meeste staan dan ook op zichzelf: slecht af en toe gaat het om een antwoord op een andere brief. Een voorbeeld daarvan is de briefwisseling die begint met de uitnodiging, op 10 juni 1561 vanuit Brussel verstuurd, voor de bruiloft van Willem van Oranje en Anna van Saksen op 24 augustus 1561 in Leipzig. Graaf Willem schreef op 19 juni dat hij "wegens de inning van de schatting in Gelre" niet aanwezig kon zijn. Op 2 augustus antwoordde Willem van Oranje vanuit Grave dat hij begrip had voor deze reden en wenste zijn zwager succes bij de inning.

De meeste brieven hebben niets met de familieband tussen de twee zwagers te maken, maar gaan over bestuurlijke of militaire aangelegenheden. Zo schreef graaf Willem op 28 april 1583 vanuit Arnhem aan prins Willem de aanbeveling om gewapende schepen op de grote rivieren te laten patrouilleren en zo de vijand te verhinderen naar Gelderland op te trekken. De graaf vreesde dat anders het Land van den Bergh gevaar zou lopen.

Opmerkelijk is nog de brief van graaf Willem aan prins Willem, verzonden op 19 september 1572 vanaf een onbekende locatie, die geheel in geheimschrift is geschreven. Dit was kort nadat hij voor Oranje een reeks Oost-Nederlandse steden had veroverd. Blijkbaar was het een versleutelde Franse tekst, want hij ondertekende met Guillaume de Bergue. Brieven in het Duits ondertekende hij met Willem grave zu dem Berghe.

De Duitstalige handtekening van graaf Willem onder bovengenoemde brief van 28 april 1583. Voor zijn naam staat E f g dienstwilliger ofwel Euren fürstlichen Gnaden Dienstwilliger.
Willem van den Bergh aan Willem van Oranje, 28-4-1583, De correspondentie van Willem van Oranje brief nr. 7519.
De Franstalige handtekening van graaf Willem onder bovengenoemde brief van 19 september 1572. Voor zijn naam staat Entirement serviteur de votre seigneurie, waarbij de laatste twee woorden afgekort zijn. Het eerste woord moet zijn (is althans in de moderne spelling) entièrement.
Zowel de Duitse als de Franse formule drukken uit dat graaf Willem volledig te dienste staat van prins Willem.

Willem van den Bergh aan Willem van Oranje, 19-9-1572, De correspondentie van Willem van Oranje, brief nr. 11106.

Varia

Bronnen