Bijdragen aan Berghapedia? Klik hier om je aan te melden !

Meurs, Henricus

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Pastoor Meurs zoals hij in 1919 (37 jaar na zijn dood) door Louis de Breet geschilderd werd.
Op de achtergrond is links de oude kerk van Azewijn uit 1819 te zien en rechts de pastorie uit 1867. De pastorie is afgebeeld zoals hij eruitzag voor de verbouwing van 1908. Het jaartal in de wimpel is 1867, het jaar dat de parochie Azewijn werd gesticht.

Seminarist, soldaat, kapelaan

Henricus Meurs was de eerste pastoor van de Mattheüskerk in Azewijn. Hij werd op 11 november 1808 geboren in Duistervoorde bij Twello als zoon van Hendrik Jan Meurs en Maria Klumpe.

Na de voltooiing van zijn studies aan een kleinseminarie, is hij in militaire dienst geweest tijdens de Belgische Opstand van 18301831. Daarna begon hij zijn hogere studies aan het grootseminarie in 's-Heerenberg. Toen deze opleiding in 1842 gesloten werd, heeft hij zijn studies afgemaakt op het enige nog resterende grootseminarie in Nederland, namelijk dat in Warmond bij Leiden. Daar werd hij op 29 augustus 1843 tot priester gewijd door mgr. C.L. baron van Wijckersloot.

Na zijn wijding heeft Meurs in de volgende plaatsen gestaan.

  • als kapelaan in:
    • Indoornik in de Neder-Betuwe van 29 november 1843 tot 23 januari 1845
    • Vaassen en Epe tot 29 september 1846
    • Wehl tot 23 april 1847
    • Vaassen en Epe tot na Pasen 1854
  • als pastoor in:
    • Renswoude en Veenendaal vanaf 5 april 1854
    • Vreeswijk vanaf 10 februari 1859
    • Azewijn vanaf 10 oktober 1867


Pastoor van Azewijn

Op 10 oktober 1867 werd Meurs feestelijk ingehaald als eerste pastoor van de nieuwe parochie Azewijn. De parochie Azewijn werd kort voor zijn komst in september 1867 canoniek opgericht door afscheiding van de parochie Zeddam. In de praktijk had de parochie Azewijn al gefunctioneerd sinds 1819, toen het dorp een eigen kerk als bijkerk van Zeddam had gekregen. De nieuwe pastoor hoefde dus geen bouwpastoor te zijn. De bisschoppelijke akte waarin de oprichting werd goedgekeurd, werd op 6 oktober 1867 op de preekstoel voorgelezen, vier dagen voor pastoor Meurs' aankomst.

Pastoor Meurs nam zijn intrek in de nieuwe pastorie, die door de Azewijnse architect Arnold te Wiel was gebouwd. Hij was geliefd bij zijn parochianen, die hem de erenaam "Vader" gaven. Toch was hij was niet altijd even makkelijk, althans op het eind van zijn leven drukte hij zich tijdens de schoolstrijd in Azewijn in felle bewoordingen uit. Hij wilde in december 1880 de katholieke bijzondere school in het dorp als openbare school overdragen aan de gemeente Bergh. Het kerkbestuur, en daarna vrijwel de hele parochie, was hiertegen en schreef een protest aan de aartsbisschop in Utrecht. Hier was Meurs het niet mee eens, en in een donderpreek riep hij dat "de trompet des oorlogs ontstoken [was] en de vaan des opstands ontrold", en dat "onze voorouders zich diep zouden schamen als zij zouden zien welke vlegels zij hadden achtergelaten". De aartsbisschop antwoordde op 7 januari 1881 dat de huidige situatie gehandhaafd moest worden om onaangenaamheden te voorkomen.

Gedurende het 15-jarig pastoraat van pastoor Meurs zijn er in Azewijn 198 kinderen gedoopt, verreweg de meeste door Meurs zelf. Een aantal keren werd de doop verricht door kapelaan H.W. Hoegen (een oom van rector Guus Hoegen). Op 19 maart 1882 verrichtte Meurs zijn laatste doop. Daarna heeft hij blijkbaar niet meer kunnen werken. Op 23 april werd het volgende kind gedoopt door de karmeliet B. Jansen, en daarna doopten kapelaan Hoegen op 10 mei en J. Engberink op 9 juni.

Pastoor Meurs overleed op 22 juni 1882. J. Engberink, die als assistent in Azewijn was, liet een overlijdensadvertentie voor hem plaatsen. Op 26 juni werd hij begraven op het kerkhof in Azewijn. Zijn graf is inmiddels geruimd. Als Meurs' overlijdensdatum wordt soms 21 juni vermeld, en in zijn memorie van successie staat "juni 1882" met een open ruimte ervoor, die nooit is ingevuld. De overlijdensakte is echter duidelijk: pastoor Meurs overleed op 22 juni om 1 uur 's nachts.

Een paar weken na zijn dood, op 18 juli, werd zijn inboedel in het openbaar geveild door notaris Kolfschoten uit Gendringen. Nevenstaande advertentie, die een paar dagen eerder in De Graafschapbode verscheen, geeft een goed beeld van zijn deftige, uitmuntend onderhouden inboedel.

Pastoor Meurs werd opgevolgd door pastoor Hazelekke, die op 9 juli 1882 aankwam.

In 1919 werd feestelijk herdacht dat Azewijn sinds honderd jaar een eigen kerkgebouw had. Ter gelegenheid daarvan heeft de Arnhemse portretschilder Louis de Breet (18701940) twee portretten gemaakt; een van pastoor Meurs en een van pastoor Hazelekke. Deze schilderijen zijn nog steeds in het bezit van de kerk.

In Azewijn is er een straat naar hem genoemd.

Pastoor Meurs' overlijdensakte
Uit De Tijd van 26 juni 1882
Uit De Graafschapbode van 15 juli 1882

De bewoners van de pastorie

In de jaren dat pastoor Meurs in Azewijn woonde, werden meerdere huishoudsters en dienstmeiden ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Bergh.
Over een aantal van hen volgen hieronder enige bijzonderheden.

Nr. Naam Geboorteplaats Geboortedatum Beroep Aangekomen op Aangekomen uit Vertrokken op Vertrokken naar
1 Henricus Meurs Duistervoorde 11-11-1808 Pastoor 11-10-1867 Vreeswijk 22-06-1882 (overleden)
2 Maria Geertruida van Velde Vaassen 30-01-1828 Huishoudster 11-10-1867 Vreeswijk 29-03-1877 (overleden)
3 Janna Christina Brouwers Vaassen 24-07-1840 Dienstmeid 29-11-1867 Kamerik 30-04-1869 Mook
idem idem idem Dienstmeid 16-10-1869 Mook 10-05-1870 Elten
4 Catharina Lenting Angerlo 22-12-1834 Dienstmeid 22-04-1870 Rhoon 29-04-1871 Oudewater
5 Dorothea Bolwerk Netterden 19-08-1842 Dienstmeid 01-05-1871 Ubbergen 14-05-1872 Duiven
6 Christina Bonekamp Epe 14-03-1840 Dienstmeid 01-11-1871 Epe 23-01-1873 Gendringen
7 Maria Streppel Wilp 22-11-1852 (niet vermeld) 22-11-1876 Twello 20-06-1882 Twello
8 Carolina Theodora Willemsen Brummen 17-08-1848 (niet vermeld) 28-06-1877 Arnhem 20-06-1882 Brummen

Vier van de acht bewoners hadden een familieband met een of meer van de anderen, zoals in onderstaand schema weergegeven.
Hierop wordt in het onderstaande nader ingegaan.

De stamboom van pastoor Meurs.
De pastoor en zijn verwanten onder het huispersoneel zijn gemerkt.


2. Maria Geertruida van Velde was al in Vreeswijk pastoor Meurs' huishoudster, en kwam in oktober 1867 tegelijk met hem naar Azewijn. Volgens het bevolkingsregister was dat op 11 oktober, een dag nádat pastoor Meurs werd ingehaald. Die datum berust waarschijnlijk op een fout – of de feestelijkheden hebben zo lang geduurd, dat zij pas na middernacht hun intrek in de pastorie hebben kunnen nemen. Maria Geertruida was geboren in Vaassen, waar Meurs van 1846 tot 1854 (met een onderbreking van ruim een half jaar in Wehl) kapelaan is geweest. Het ligt voor de hand dat hij haar en haar familie in die tijd heeft leren kennen. Sinds wanneer Maria Geertruida van Velde Meurs' huishoudster was, kon niet worden achterhaald. Tot begin 1873 heeft ze steeds assistentie gehad van een dienstmeid, maar daarna heeft ze er alleen voorgestaan tot ze eind november 1876 hulp kreeg van Maria Streppel. Namen haar krachten af, en kwam er daarom weer een dienstmeid? Zij overleed vier maanden later in maart 1877 en werd in juni van dat jaar opgevolgd door Carolina Theodora Willemsen (nr. 8).

3. Janna Christina Brouwers, een halfzus van Maria Geertruida van Velde (nr. 2), kwam zes weken na pastoor Meurs' intocht naar Azewijn. Daar is ze tot mei 1870 geweest, maar met een onderbreking van 30 april tot 16 oktober 1869. Gedurende deze periode was zij uitgeschreven naar Mook, vanwaar ze tien dagen na aankomst naar Hatert bij Nijmegen is gegaan. Daar werd op 14 juli haar dochtertje Maria Johanna geboren. Janna Christina was ongehuwd, maar pastoor Meurs was de vader van haar kind. Aan dit feit is natuurlijk nooit ruchtbaarheid gegeven, maar het is wel bekend bij Maria Johanna's nazaten. Toen Janna Christina zeven weken na de geboorte terugging naar Mook, heeft ze haar dochtertje in Hatert achtergelaten bij een pleeggezin. In oktober was ze weer terug in Azewijn. Zeven jaar later, op 13 mei 1876, trouwde ze in Brummen met Wilhelmus Johannes Willemsen, een oudere broer van Carolina Theodora Willemsen (nr. 8) en een halfneef van pastoor Meurs. Janna Christina en haar man hebben Maria Johanna gewettigd als hun dochter, die verder in Brummen is opgegroeid. Pastoor Meurs heeft de opvoeding van zijn dochter op discrete wijze financieel ondersteund en na zijn dood is althans een deel van zijn nalatenschap naar de familie Willemsen gegaan. Opmerkelijk is daarbij dat Maria Johanna een halfnicht van haar stiefvader was, en dat haar biologische vader en haar stiefvader halfoom/halfneef van elkaar waren. Vaderschap van een pastoor komt natuurlijk vaker voor. Zo wordt vermoed dat de 's-Heerenbergse pastoor Nales de vader was van Johannes Wilhelmus Hofstraat.

5. Dorothea Bolwerk is de enige van pastoor Meurs' huispersoneel die uit Bergh kwam. Zij was in 1842 geboren in Netterden, dat toen nog bij de gemeente Bergh hoorde.

8. Carolina Theodora Willemsen was de opvolgster van Maria Geertruida van Velde (nr. 2) en een halfnicht (oomzegster) van pastoor Meurs. Ruim een jaar voor ze in Azewijn begon, was haar broer getrouwd met Janna Christina Brouwers (nr. 3). Pastoor Meurs heeft haar, Carolina Theodora, tot zijn enige erfgename benoemd bij testament van 23 mei 1882 (één maand voor zijn dood), opgemaakt door notaris Kolfschoten (dezelfde die in juli zijn inboedel veilde). Echter, toen notaris Kolfschoten op 21 december 1882 pastoor Meurs' memorie van successie opmaakte, bleek het testament "niet te bestaan". Daarmee erfden automatisch pastoor Meurs' nog levende twee halfzussen: Carolina Theodora's moeder Everdina van der Linden, en Henrica Joanna Meurs uit het huwelijk van zijn vader met Maria Egberts. Hoe dit precies is afgelopen, is (nog) niet bekend, maar de familie Willemsen heeft een belangrijk deel van pastoor Meurs' nalatenschap ontvangen.

Opvallend is nog, dat Carolina Theodora Willemsen en Maria Streppel (nr. 7), de laatste vrouwen die pastoor Meurs' huishouden bestierden, op 20 juni 1882 werden uitgeschreven uit de gemeente Bergh – een of twee dagen vóór pastoor Meurs overleed. Heeft het kerkbestuur hen weggestuurd zodra de pastoor geen huishoudelijke hulp meer nodig had? Het lijkt erop dat zij op de 20e daadwerkelijk zijn vertrokken, want Carolina Theodora Willemsen werd diezelfde dag ingeschreven in het bevolkingsregister van Brummen. Maria Streppel had bij haar vertrek nog f 17,00 "meidenloon" tegoed.

Bronnen