Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Meij, Adrianus Gerhardus de

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Adrianus Gerhardus de Meij werd op 13 januari 1911 geboren in Utrecht.

Komende uit Gendringen werd hij op 24 september 1933 kapelaan van de Pancratiuskerk in 's-Heerenberg. Op 22 december 1939 vertrok hij naar Deventer en werd opgevolgd door kapelaan Visser.

Hij diende onder pastoor Galama en zijn collega-kapelaans waren Terpstra (tot 7 oktober 1933), Tutert (tot 1935), Van Rooijen (gehele periode) en Kloppenburg (tot 1937).

In onderstaand artikel uit Montferland Nieuws lezen we iets over de persoon van De Meij.


Wijwater en paashoutjes

Bij het lezen van Old Ni-js nummer 38 kwamen bij een oud-misdienaar allerlei herinneringen boven. Old Ni-js nummer 38 is helemaal gewijd aan de Pancratiuskerk in 's-Heerenberg. Het was in de tijd dat Adrianus Gerhardus de Meij kapelaan was (1933-1939). Kapelaan De Meij maakte avant la lettre grote schoonmaak in de kerk. Zo was het een gebruik dat de misdienaars in de Goede Week in het bos takken gingen snijden van zo'n 40 cm lengte en 2 cm dik, die ze vervolgens blank afschilden. Een handkarretje vol werd naar de kerk gesleept. Deze 'knuppeltjes' werden op paaszaterdag in het liturgische paasvuur gelegd, zodat het uiteinde er verkoold uitzag.

Na de plechtigheden, vroeg in de ochtend, gingen de misdienaars met wijwater langs de deuren. Ze hadden trekkarretjes met melkbussen erin, zoals de boeren vroeger hadden toen er nog in de weilanden gemolken werd. In de melkbussen het wijwater, dat 's morgens gemaakt was. Het ging hen natuurlijk om de geldelijke fooien die ze kregen als de lege weckflessen, jeneverflessen e.d. vol geschept waren met het kerkelijk vocht. Veel mensen vroegen dan ook om een paashoutje, de ten dele verbrande knuppeltjes. Deze werden dan onder één of ander dakspant gestoken als afweermiddel tegen onweer; een extra aanvulling dus op het wijwater waarmee mensen soms ook het huis besprenkelden (met een palm-bus-takje) als het onweerde. Kapelaan De Meij vond dit bijgeloof en verbood de misdienaars om deze knuppeltjes nog te gaan snijden. De wijwater 'verkopende' misdienaars hadden zich - tussen haakjes - een bepaald soort kerkelijk recht toegeëigend. Ze meenden te weten dat het wijwater tot de helft mocht worden bijgevuld, zodat ze - om niet telkens naar de kerk te moeten voor een nieuwe voorraad - de halfvolle melkbussen onder de pomp zetten en op die manier hun eigen wijwater maakten. Tot in het oneindige. Gekloond wijwater...

De plechtigheden waarmee op paasmorgen o.m. deze knuppeltjes en wijwater gemaakt werden, vond in de voorconciliaire periode plaats op paaszaterdagmorgen in alle vroegte. Het vuurpotje stond dan voor de zijdeur van de kerk aan de linkerkant bij het poortje naar de pastorietuin. Behalve de priester met enkele misdienaars waren er altijd nog een zanger - meester Egbers - en drie/vier andere parochianen. Na het exsultet kwam er nog een zanger bij en tegen de tijd dat de mis begon, waren de meeste zangers wel aanwezig en zat de kerk halfvol mensen.

Ieder jaar was er collecte voor de paaskaars. Dat was steevast dezelfde kaars waarop telkens in een koker een nieuw stuk werd geplaatst. Vanwege dit commerciële aspect, sprak men dan ook wel over 'de collecte voor de paashaas'.

Over kaarsen gesproken: achter in de kerk was een gordijn opgehangen, waartegen een beeltenis van Onze Lieve Vrouw van Altijd Durende Bijstand. Veel mensen gingen er na de mis een kaars van een dubbeltje (kleintje) of kwartje (grotere) opsteken. Pastoor Gribnau liep altijd achter in de kerk op en neer te brevieren en blies dan de kaarsjes uit zodra de offeraarster (het waren doorgaans vrouwen die kaarsjes opstaken) haar hielen gelicht had en legde ze terug in de bak... (Zelf geobserveerd door een misdienaar).


Bronnen