Bijdragen aan Berghapedia? Klik hier om je aan te melden !
Categorie:Nederlands - Berghs B: verschil tussen versies
k |
k |
||
| Regel 1: | Regel 1: | ||
| − | [[Categorie: Barghs | + | [[Categorie: Woordeboek van 't Barghs]] |
Huidige versie van 12 okt 2026 om 21:04
Pagina’s in categorie "Nederlands - Berghs B"
Deze categorie bevat de volgende 200 pagina’s, van in totaal 227.
(vorige pagina) (volgende pagina)B
- Balk (staande)
- Balk, maag
- Balken, janken, klagend huilen
- Balkenbrij
- Balkenbrij (vleesgerecht)
- Bang
- Bang, mensenschuw, schuchter
- Bangerik
- Bangerik, ongezond persoon
- Bank of boom waarin de klompenmaker een paar klompen zet
- Bankje (vw)
- Barbaars, heel erg
- Barst
- Barsten
- Baten, helpen
- Batterij, achterwerk
- Bed
- Beddenpan (koperen pan om te verwarmen)
- Beddenplank (plank aan voorkant van bedstee)
- Beddentijk, stof voor beddenonvertrek
- Bedeesd, schuchter, ingetogen
- Bedenken
- Bedienen
- Bedoening, gedoe
- Bedorven, rot
- Bedrijf
- Bedstee
- Bedsteen (voorverwarmde steen)
- Bedtijd
- Beduiden, duidelijk maken, betekenen
- Been
- Been (lang, dun)
- Beest
- Beetje
- Beetje, fietsje
- Begaafdheid, begrip, handigheid
- Beginnen, aanrichten
- Begrafenis
- Begroeiing (laag blijvend in een tuin)
- Beide
- Beitel voor uitgraven van boomstompen
- Beitel, bolbliksem
- Bekijken, doorgronden
- Bekonkelen, bekokstoven
- Bekvechten, tegenspreken
- Belangrijk
- Belazerd, niet goed wijs
- Belazeren
- Belazeren. Zie: besodeflikkeren
- Beledigen, krenken
- Belezen, bezweren (het genezen van mensen of dieren)
- Beloven
- Bemoeial, hanglip, dikke lip
- Bemoeien, zich
- Bemoeienis
- Benieuwen
- Berg, heuvel, loods, open veldschuur
- Bergamotpeer (rond type peer)
- Berk
- Berkenbezem
- Berm
- Bes (rode bes) (ribes rubrum)
- Bes, meid
- Beschadigen, afranselen
- Beschuit
- Besluit
- Besteden
- Bestellen, opdragen
- Beteren, beter worden, ten goede veranderen
- Betijen, laten begaan
- Betrappen
- Betreffen
- Beukenboom
- Beukenheg; kerkhofhaag
- Beukenhouten (van beukenhout)
- Beukennootje
- Beuren, tillen, opheffen
- Bevuilen, zich
- Bewerken, ompraten, overhalen
- Bewijsje
- Bezeiken, bedonderen, beduvelen
- Bezem
- Bezemen, vegen
- Bezoek
- Bezuinigen
- Bidden
- Bierafschuimer
- Bieslook
- Biest
- Biestbrood
- Biestenpap
- Big, jong varken
- Bij (insect)
- Bij; terwijl
- Bijdragen, de zaak verder brengen, zoden aan de dijk zetten
- Bijeenharken (van hooi) in lange banen
- Bijenkorf
- Bijgebouwen, gehok
- Bijkeuken
- Bijl
- Bijl (groot)
- Bijl (met korte steel en langwerpig blad)
- Bijlman, sappeur
- Bijschijnen
- Bijstaan, herinneren
- Bijten
- Bijtijds, op tijd
- Bijtrekken, beter worden, resultaat hebben
- Bijzetten (weinig kracht, geld of gezondheid hebben)
- Billenkoek
- Binnenbeer (mannelijk varken)
- Binnenhalen (graan of hooi bij de oogst)
- Binnenstebuiten, verkeerd
- Blaar
- Blaas
- Blaaspijp (om vuur aan te wakkeren)
- Blaasslaan (kinderspel)
- Blaffen, hoesten
- Blauw
- Blazen
- Bleek (veld om wasgoed te bleken)
- Bleek, lusteloos, sip
- Bleek, ongezond
- Blei (brasemachtige witvis)
- Bleken
- Blijven
- Blikaars (ontvelling aan het zitvlak)
- Bliksem
- Bliksemen
- Bliksemen, weerlichten
- Blinderen, verduisteren
- Blinken
- Bloeien
- Bloot, naakt
- Blootsvoets
- Bochel
- Bodem
- Boek, buik
- Boekweitmeel
- Boeman
- Boenborstel, schrobber
- Boenen
- Boer
- Boeren, hikken, oprispen
- Boeren, oprispen
- Boerenkool
- Boerentrien, lompe (boeren-)meid
- Boezem (overkapping)
- Boezemkleedje
- Boezemschap (rand rond de boezem)
- Bokking, flater, domoor
- Bokspringen (kinderspel)
- Bomen (mv)
- Bonenstro
- Bonk
- Bonken
- Bonken; paren, neuken
- Bont
- Boodschap
- Boog
- Boom
- Boom (van een kruiwagen)
- Boomgaard, bongerd
- Boon
- Bord
- Borg; barg
- Borrel
- Borreltje
- Borstelen
- Borstelfabriek
- Bos
- Bos (hoeveelheid)
- Bosbes
- Bosje, bundeltje
- Bosje, busje
- Bospad, grenspad tussen twee akkers
- Bot
- Bot, been
- Bot, stomp
- Boter
- Boterfabriek, zuivelfabriek
- Boterham
- Boterhambordje
- Boterhamtrommeltje
- Boterhamzakje
- Botervloot
- Bouwen, ploegen
- Bovendeur
- Bovengebinte (bouwterm)
- Braam (vrucht)
- Braden
- Brand, haast
- Branderig, aangebrand, fel
- Breinaaldenkoker
- Breken, braken
- Brief
- Broeds
- Broeierig
- Broek
- Broek (met krijtstrepen)