Op 16 juni 2018 is een nieuwe versie van Berghapedia geïnstalleerd. Eventuele problemen a.u.b. hier melden.

Heek, Dr Jan Herman van

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Jan Herman van Heek
Postuum portret uit 1958 door Willem Gerard Hofker

Een Twentse textielfabrikant

Jan Herman van Heek werd op 20 oktober 1873 geboren in Enschede als derde van de zes kinderen van Gerrit Jan van Heek, textielfabrikant, en Christine Friederike Meier. Uit een eerder huwelijk had zijn vader al vier kinderen. Als telg uit een textielfamilie werd ook Jan Herman textielfabrikant.

Hij kreeg het vak voor een deel met de paplepel ingoten, maar om het goed te leren bezocht hij na de lagere school de Twentsche Industrie- en Handelsschool (die toen mogelijk al Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel heette). Enschedese textielfabrikanten hadden die school in 1864 speciaal opgericht om er hun hogere personeel op te leiden. Aansluitend liep hij in 1893 en 1894 een klein jaar stage bij een aantal machinefabrieken en cotton mills in Manchester en omgeving; het hart van de Engelse katoenindustrie. Hij bekwaamde zich er niet alleen in zijn vak, maar bouwde er ook aan zijn netwerk van Engelse textielfabrikanten.

In januari 1895 begon hij aan een lange reis naar Nederlands- en Brits-Indië. Hij verkende er de afzetmogelijkheden voor Twentse textiel, en bewonderde de kunst en architectuur in deze landen. In lange brieven naar huis en in dagboeken beschreef hij zijn belevenissen. Wat hij zag, legde hij vast in zijn schetsboeken. Hierbij gebruikte hij zijn tekentalent, dat hij al van jongs af aan had ontwikkeld. In zijn leven zou hij, thuis en op reis in binnen- en buitenland, 93 schetsboeken vullen.

Op eerste kerstdag 1895, toen hij per schip van Rangoon naar Calcutta reisde, werd hij ziek. Hij had cholera. Enkele dagen zweefde hij tussen leven en dood, en lag tot maart 1896 in een ziekenhuis in Calcutta. Daarna heeft hij zijn reis door Brits-Indië nog wel voortgezet, maar plannen om door te reizen naar Japan, liet hij vallen. Op 19 mei 1896 was hij weer thuis, zowel lichamelijk als geestelijk verzwakt. Hij kon niet meteen zijn draai vinden en ging enige tijd kuren in de bronnen van Bad Bentheim. Door zijn ziekte en het lijden dat hij onder de Indische bevolking had gezien, was hij in een geloofscrisis geraakt. Hij vond antwoord in de overtuiging dat geloof een emotionele zaak is, geen rationele.

Na zijn herstel richtte hij in 1897 samen met zijn vader in Enschede een nieuwe spinnerij-weverij op. Aan de plannen hiervoor had hij al sinds augustus 1896 gewerkt. Hij was er ook voor naar Manchester gereisd om ideeën op te doen. Zo werd het een moderne fabriek, die onder de naam Rigtersbleek bekend zou komen staan. Het gebouw was brandveiliger dan oudere fabrieken en het drijfwerk van de machines werkte met tandwielen, niet meer met aandrijfriemen. De productie was vooral bestemd voor export naar de koloniën.

De fabriek werd opgezet als een commanditaire vennootschap, die in 1935 werd omgezet in een naamloze vennootschap, de N.V. Rigtersbleek. Van Heek werd president-commissaris. Daarnaast was hij commissaris bij een aantal andere textielbedrijven en banken.

Zijn gezin

Van Heek was een begaafd tekenaar. Deze pentekening van het Stokkummerveld maakte hij op 8 augustus 1949; de dag dat hij per telegram het bericht had ontvangen dat zijn zoon Goderd bij Solo op Java gewond was geraakt. Zie de aantekening in de linker bovenhoek.
(Klik voor een vergroting)

Van Heek trouwde op 6 juni 1913 in Hellendoorn met Anna van Wulfften Palthe. Zij was op 28 mei 1892 geboren als dochter van de Almelose textielfabrikant Arnold Albert Willem van Wulfften Palthe en Maria Aurelia Engberts. Uit dit huwelijk werden drie zoons en drie dochters geboren.


Kasteelheer van Huis Bergh

De beginjaren van zijn fabriek waren moeilijk, onder meer door stakingen die toen overal in de textielindustrie uitbraken. Maar toen het bedrijf eenmaal goed liep – en hij bovendien nog net voor zijn veertigste zou gaan trouwen – vond hij de tijd gekomen om "eene groote landbezitting" te kopen. Hij zocht niet zomaar een luxe buitenhuis, maar een middeleeuws kasteel of havezate met een rijke historie, waar hij de rest van zijn leven althans gedeeltelijk zou kunnen doorbrengen. Hij had al meerdere te koop staande kastelen bezichtigd toen zijn vader op 18 mei 1912 een brief kreeg van diens kennis Marinus Prakke, die bij de Heidemaatschappij werkte. Prakke schreef dat Huis Bergh en bijbehorende bezittingen, eigendom van Willem, vorst van Hohenzollern, graaf van Bergh, te koop waren. Of Van Heek sr. of een van zijn zonen daar geen belangstelling voor had? Dat had Van Heek sr. niet, maar Jan Herman had dat wel.

Na een aantal bezichtigingen en familieoverleg, bezochten Van Heek en Marinus Prakke in juni 1912 de Hofkammer aan de Karlstraße in Sigmaringen voor eerste onderhandelingen. Dit bureau in de hoofdplaats van het vorstendom Hohenzollern-Sigmaringen was in 1832 ingesteld door vorst Willems overgrootvader Karel en beheerde de landgoederen van de Hohenzollerns. Op 7 juli vertrokken de twee opnieuw naar Sigmaringen, nu vergezeld door Bernard van Heek, Jan Hermans oudste halfbroer. De onderhandelingen van de volgende dag leidden tot niets, maar intussen had vorst Willem bij de Twentsche Bankvereeniging B.W. Blijdenstein & Co. in Rotterdam geïnformeerd naar Van Heeks kredietwaardigheid. Hij had de verzekering gekregen dat Van Heek een bedrag van 800.000 mark probleemloos en per direct kon opbrengen.

Zonder Bernard, die was doorgereisd naar Davos, kon op 9 juli, na nog meer onderhandelingen, een voorlopige koopakte getekend worden. Over de koopsom zijn de bronnen niet eensluidend: 840.000, 850.000 en 860.000 mark worden genoemd. De tegenwaarde moet zo'n 495.000 gulden zijn geweest, nu 4,8 miljoen euro. Voor dit bedrag deed vorst Willem niet alleen afstand van het vastgoed en de grond in Bergh, maar ook van de rechten en plichten die daarbij hoorden. De rechten waren overblijfselen uit vroeger tijden en hielden in 1912 nog in:

Verder waren bij de koop nog ingesloten een pakket aandelen in de Grindweg Zutphen-Emmerik en obligaties van het Ambt Doetinchem.

De definitieve koopakte werd op 1 november 1912 getekend ten overstaan van notaris H.G. van Everdingen in Terborg. Vorst Willem liet zich daarbij door een van zijn ambtenaren vertegenwoordigen.

Restauratie en brand

Wederopbouw na de brand

Van Heek begon meteen na de koop met de restauratie van het uitgewoonde kasteel. In dit verband heeft hij meermaals gesproken met Victor de Stuers, een van de grondleggers van de monumentenzorg in Nederland, die een deel van zijn jeugd op de nabijgelegen Boetselaersborg had doorgebracht. Het doel was Huis Bergh bewoonbaar te maken en tegelijk op historisch verantwoorde wijze een middeleeuws aanzien te geven. Zeventien jaar later was het zo ver: Huis Bergh was weer bewoonbaar en redelijk ingericht, en waren ook de bijgebouwen in een stabiele staat teruggebracht.

Helaas werd de restauratie van het kasteel tenietgedaan door de grote brand van 15 maart 1939. De oorlog, die op 10 mei 1940 in Nederland uitbrak, heeft de herstelwerkzaamheden waarschijnlijk vertraagd, maar toch kon Huis Bergh tweeënhalf jaar na de brand, op 26 oktober 1941, weer in gebruik worden genomen.

In augustus 1944 is Van Heek met zijn gezin permanent op Huis Bergh komen wonen. Tot dan toe waren zij alleen met feestdagen en tijdens vakantie in 's-Heerenberg, maar werden nu min of meer gedwongen Enschede te verlaten, omdat hun woning daar door de Duitsers was gevorderd. Tot in de jaren tachtig is de familie Van Heek op Huis Bergh blijven wonen.

In de weken voor de bevrijding, toen Bergh in de frontlinie lag, heeft ook Huis Bergh oorlogsschade opgelopen. Die was aanzienlijk, maar met nog voorradig bouwmateriaal konden de herstelwerkzaamheden direct van start gaan. Het was de derde keer sinds 1912 dat Huis Bergh in de steigers stond.

Tweede Wereldoorlog

Het grootste deel van de Tweede Wereldoorlog bracht Van Heek in Enschede door. Daar stond hij erom bekend dat hij geen antisemiet. Al op 13 december 1928 was hij met zijn broer Gerrit Jan naar de opening van de nieuwe synagoge in Enschede geweest, en een jaar later konden door zijn inzet ook joodse ondernemers lid worden van de Groote Sociëteit. Deze ondernemersvereniging had tot dan toe alleen hervormde en doopsgezinde fabrikanten en notabelen toegelaten.

De directeur van de spinnerij Roombeek was de jood N.J. Menko. Hij had al in het begin van de oorlog geen vertrouwen meer in de Duitse plannen met joodse bedrijven en droeg zijn onderneming daarom al in september 1940 over aan mensen die hij vertrouwde. Daaronder was ook Van Heek, die president van de raad van commissarissen werd.

In 1942 kwam de landelijk georganiseerde hulp aan onderduikers op gang. Toen bleek dat die in Twente niet genoeg geld bijeenbracht om in het onderhoud van de veelal joodse onderduikers te voorzien, nodigde Van Heek een aantal Enschedese fabrikanten uit voor een vergadering op 3 februari 1943 in het gebouw van de Twentsche Bank in Enschede. Zij besloten de joodse onderduikers te helpen en brachten 233.850 gulden bijeen. Van Heek zelf schonk 40.000 gulden; zijn vader schonk eenzelfde bedrag. Mede door deze steun hebben 550 van de 1300 Enschedese joden de oorlog overleefd, ongeveer veertig procent, terwijl landelijk maar een kwart van de joden heeft overleefd.

Van Heeks oudste dochter en haar man zijn actief geweest in het verzet, maar hiervan heeft hij, net zomin als zijn vrouw en zijn andere kinderen, tijdens de oorlog nauwelijks iets geweten.

In de avond van 1 april 1945, de dag waarop Bergh bevrijd werd, hebben de Canadese brigadegeneraal Rockingham en enkele van zijn officieren op uitnodiging van Van Heek een borrel gedronken op Huis Bergh. Een van hen, majoor McTaggart, die met zijn compagnie 's-Heerenberg had bevrijd, bleef die nacht ook op Huis Bergh slapen.

De Stichting Huis Bergh

Van Heek wilde dat Huis Bergh met alles wat erbij hoorde (de bossen, de landerijen, het archief, de inboedel en de kunstverzameling die hij er bijeenbracht) voor altijd als één en ongedeeld historisch monument bewaard zouden blijven.

Om dit te bereiken richtte hij in 1923 de Naamlooze Vennootschap tot Instandhouding en Beheer der Goederen en Rechten van het Huis Bergh (N.V. Huis Bergh) op. Het besluit hiertoe werd mede ingegeven door de slechte relatie met burgemeester Smit en het gemeentebestuur van Bergh. Als rijke bewoner van een groot pand werd hij voor een flink bedrag aangeslagen voor de gemeentelijke inkomstenbelasting. Die kon hij via de N.V. vermijden als hij er minder dan negentig dagen per jaar woonde.

De constructie van een N.V. bleek niet te bevallen. Na familieoverleg, dat in 1939 begon, werd in [1940]] besloten het bezit onder te brengen in een stichting. Door de brand van 1939 en de oorlog duurde het tot 5 april 1946 voor de Stichting tot Instandhouding en Beheer der Goederen en Rechten van het Huis Bergh een feit was. Bij de omzetting was medewerking van ambtenaren in Den Haag nodig, zodat het een geluk was dat dr. G. van der Leeuw, van 1916 tot 1918 predikant in 's-Heerenberg, de eerste naoorlogse minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen was. Van der Leeuw steunde Van Heeks plan en kon ook andere ministers tot medewerking bewegen. Van de kant van de gemeente Bergh was er geen tegenwerking, want de verstandhouding met burgemeester Nederveen was goed.

Meer over deze stichting is te lezen op de pagina over de Stichting Huis Bergh.

Andere stichtingen

Naast de Stichting Huis Bergh is Van Heek actief geweest bij de oprichting van andere stichtingen.

  • Stichting het Geldersch Landschap (1929)
  • Stichting Koningsbelten (1935), die zich richt op het behoud van het natuurmonument de Koningsbelten, een bosgebied op de Sallandse Heuvelrug.
  • Stichting tot behoud van den Doornenburg (1936), opgericht ter restauratie en behoud van kasteel Doornenburg.
  • Stichting Vrienden der Geldersche Kastelen (1940), waar kasteel Hernen als eerste aan werd overgedragen.
  • Stichting Edwina van Heek (1946), opgericht uit de nalatenschap van zijn 17 september 1945 overleden schoonzus Edwina van Heek–Burr Ewing. De stichting steunt het behoud van natuurmonumenten en historische gebouwen, en financiert de aankoop van (kunst)voorwerpen door musea.

Bovendien was hij Van Heek lid van Beheer van de Nederlandsche Kastelenstichting, opgericht in 1945. In 1930 richtte hij het Rijksmuseum Twenthe in Enschede op. Daarmee gaf hij uitvoering aan een wens van zijn in 1923 overleden halfbroer Bernard, wiens kunstverzameling de basis voor dit museum vormde.

Onderscheidingen

Jan van Heek heeft de volgende onderscheidingen ontvangen.

  • 1929: De Erepenning van de Vereniging Gelre
  • 1930: Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
  • 1931: Gouden jubileumpenning van de Vereniging Natuurmonumenten
  • 1937: Officier in de Kroonorde van België
  • 1946: Grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau
  • 1947: Edo Bergsma-medaille van de ANWB (zie krantenknipsel hieronder)
  • 1948: Gouden legpenning van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond
  • 1950: Op 27 juni van dit jaar werd Jan van Heek één van de eerste vier dragers van de Zilveren Anjer van het Prins Bernhard Cultuurfonds. Deze onderscheiding, door de prins zelf uitgereikt, verdiende hij als directeur van het Rijksmuseum Twenthe en voor zijn aandeel in de nationale monumentenzorg en het natuurbeheer in ons land. Tijdens de uitreiking van deze prijs sprak de prins tot Jan van Heek met de woorden: "U kón het en u dééd het". Hiermee doelde de prins op het feit dat Jan van Heek Huis Bergh, kasteel Doornenburg, de Sint-Vituskerk in Elten en de Waag in Doesburg bekostigd dan wel gesponsord heeft.
  • 1952: Gouden erepenning van de provincie Gelderland
  • 1952: Ereburger van Zutphen
  • 1952: Op 19 september van dit jaar werd hij benoemd tot doctor honoris causa in de letteren en wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam.
  • 1953: Gouden penning van Verdienste jegens Openbare Verzamelingen, uitgereikt door koningin Juliana
  • 1953: Ereburger van de gemeente Bergh
  • 1953: Ereburger van Doesburg
  • 1956: Gouden eremedaille van Enschede
  • Erelid van Sociëteit De Vriendschap (lid sinds 1920)

Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag op 20 oktober 1953 verscheen De Liemers. Gedenkboek Dr J. H. van Heek.

Uit de Leeuwarder Courant van 20 september 1947
Klik voor een vergroting
Erepromotie van J.H. van Heek op 19 september 1952 in de aula van de gemeentelijke universiteit te Amsterdam

Zijn overlijden

Jan van Heek overleed op 25 januari 1957 in het Wilhelminaziekenhuis in Doetinchem, waar hij twee weken eerder met bronchitis was opgenomen. Hij is 83 jaar oud geworden. Verschillende landelijke dagbladen berichtten over zijn dood.

Op 29 januari werd hij vanuit Huis Bergh begraven op de begraafplaats van de protestantse kerk in 's-Heerenberg.

Zijn vrouw overleed op 8 november 1977 en werd naast haar man begraven.

Trivia

De vader van de bekende slavist en schrijver Karel van het Reve (1921-1999) kwam uit Twente, waar hij textielarbeider was geweest. In zijn boek Met twee potten pindakaas naar Moskou (Amsterdam, 1970) doet Van het Reve verslag van een bezoek aan een textielfabriek in Kirgizië in 1967 (tweede druk, blz. 34):
Het trof mij dat in een gang waar wij en een heleboel arbeidsters doorliepen een kleine, dikke, in het blauw geklede juffrouw stond met een reusachtig pistool op de bil. Misschien hoort dat zo in een textielfabriek, hoewel ik van mijn vader nooit gehoord heb dat er zulke juffrouwen bij Van Heek rondliepen.

Bronnen