Bijdragen aan Berghapedia? Kijk hier voor Hulp bij aanmelden

Interview met Bernard Borkes

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Gesprek met Bernard (Bennie) Borkes in 's-Heerenberg, geboren 22 mei 1929, op 3 januari 1995 door Edwin Zweers en Henk Harmsen.


Voor de oorlog

Wij waren in de oorlog de verloren jeugd. We leden erg onder normvervaging. We deden alles wat maar iets opbracht. Gelukkig heb ik een goed thuiskomen gehad bij mijn moeder, anders was er van mij niets terecht gekomen. We woonden aan de Benedensteenakker. Thuis waren we goed katholiek, dus je moest er niet naast stappen. Moeder werd weduwe in het jaar waarin ik geboren ben. Het enige wat ik van mijn vader wist, was dat moeder op het kerkhof altijd om hem moest huilen. Ik haatte hem daarom, hoewel ik hem niet kende.

We hadden het voor de oorlog al niet breed. Van de twee varkens in het hok was er een onze verzekering. Toen bij ons eens de pannen van het dak waaiden werd het poetje verkocht. Met de opbrengst van de bosbessenpluk werd de rente voor het huis betaald.

De mobilisatie in 1939 was voor ons kinderen een enorme sensatie. Militairen aan de grens met handwapens, roeiboten in de Wetering, soldaten in het St.Jozefgebouw en de filmzaal van Schuurman. Er waren wel 500 Nederlandse soldaten ondergebracht, met paarden, wagens, stoomfietsen. Ze hadden normaal contact met de Duitse grenswachten aan de overkant. De grenswachten gooiden elkaar zelfs over en weer sigaretten toe. Toen er achter het klooster (nu Gouden Handen) eens een koorddanser optrad, stonden de mensen uit Emmerik allemaal aan de Wetering te kijken.

Van anti–Duits of anti-Nederlands fanatisme geen spoor. Vergeet niet dat we elkaar nodig hadden. We aten van Duitsland. Wij als kinderen trokken aanvankelijk nog geen partij. Ik weet nog dat Hermann Göring Emmerik bezocht in 1934. Wij stonden erbij met de vuist hoog. Göring zijn grootvader woonde vroeger op Hassent in Borghees. In Emmerik werd een straat naar Hermann Göring genoemd, later werd het Sturmstrasse. We juichten met iedereen mee. Pas later kwamen we er achter wat er in Duitsland gebeurde. Ik was negen jaar toen we van de Kristallnacht hoorden. Moeder zei toen meteen: dat zit fout. Grootmoeder waarschuwde ons in haar verhalen altijd al voor de 'Pruus'. Ze bedoelde dan de echte Hoogduitsers, die erg overheersend en oorlogszuchtig waren, maar niet de grensbewoners.

We waren afhankelijk van Duitsland en daar was het goed. Bijna alle mannen uit 's-Heerenberg werkten in Emmerik. Hitler zorgde overal ook goed voor. Moeder had tot 1970 haar weduwenrente en kreeg, tot wij 18 waren, wezenrente. Wij hadden familie op Leegmeer bij Emmerik, het waren 'papieren Hollanders', en we gingen normaal over en weer. Drie neven moesten hier in dienst en vochten op de Grebbeberg tegen hun eigen neven.

Als we naar Leegmeer liepen, zo eens per drie weken, gingen we aan bij café Schepers aan de grens. Daar had je toen donker bier voor 2 penning per glas en een borrel voor 5 penning. De Germania-vetfabriek heette in de volksmond Ome Dorus. Half 's-Heerenberg werkte er. Bijna alle eigen huizen in 's-Heerenberg waren gebouwd met geld van Ome Dorus. De Germaniaraffinaderij was te Pruissisch en te Engels, daar kwam je niet zo gauw. De Engelse geallieerden zouden Germania bij het bombardement van Emmerik bewust ongemoeid hebben gelaten omdat er zoveel Engels kapitaal in zat, zegt men.

Een oom uit Braamt werkte op de touwfabriek in Emmerik. Hij zat na de Duitse inval twee weken ginds vast omdat ze hem zijn pasje hadden afgenomen. In die dagen kwam nog regelmatig hoog water voor. Aan de Emmerikseweg stonden schotten om het water tegen te houden. Soms stond alles blank van Rademakers (bijgenaamd de B61, beroepssmokkelaar en de schenker van het Botterkruus in de kerk, nu Edah) tot aan grenscafé Schepers toe.

De eerste oorlogsjaren

Bij de grensovergang bij het klooster stonden vanaf de mobilisatie twee grote betonblokken op straat om de Duitsers tegen te houden. Maar bij de inval in mei 1940 hadden de Duitsers ze in twee minuten aan de kant geschoven. Toen we van de inval hoorden waren de Duitsers al in Doetinchem. Ze trokken langs ons huis, het Dierenpark richting Beek en Doetinchem. Bij smid Bongers (nu bejaardencentrum / gemeentehuis) besloegen de Duitsers in de hoefstal buiten zelf hun paarden.

Bij de bombardementen tegen het eind van de oorlog heb ik zes weken in het klooster gezeten. De kelder stond er blank. Je moest over planken lopen om droge voeten te houden.

's-Heerenberg had een aantal echte NSB-ers. Enkele notabele ingezetenen heulden met de Duitsers zonder lid te zijn van de NSB. Wij knapen plaagden de NSB-ers vaak door ze bijvoorbeeld poep op de stoep te leggen. Het steekt me dat wij er als 's-Heerenbergenaren er nog altijd op worden aangekeken dat hier zoveel NSB-leden waren. De NSB-ers hebben pastoor Galama en kapelaan Van Rooijen verraden aan de Duitsers, omdat ze een anti-Duitse vastenbrief hadden verspreid. Ze stierven in het concentratiekamp. De grootste NSB-schurken zijn na de oorlog geïnterneerd. Ze werden in het gildehuis in Stokkum bij elkaar gebracht. Een is naar Amerika gevlucht, een NSB-er is na de oorlog als oorlogsmisdadiger doodgeschoten. Bij café Heinink, waar nu het Chinees restaurant aan de Marktstraat is, was het verzamelpunt van de NSB. Ook het sociëteitsgebouw diende als zodanig; Mussert heeft er eens een toespraak gehouden. De bestuurder van de sociëteit die daarvoor verantwoordelijk was hebben wij na de bevrijding uit wraak een stok tussen de spaken van het fietswiel gestoken.

Eijkholt had een kunsthoornfabriek op de plaats waar nu Otto Hageman zijn babyzaak heeft, de eerste chemische fabriek van 's-Heerenberg. Kunsthoorn was de voorloper van het plastic. Hij deelde met de Duitser Dahl de formule om het kunsthoorn te maken. Dahl wilde echter de hele formule en wilde Eijkholt er uit werken met hulp van ene Eisenberg, een fanatiekeling die het Gestapo-uniform droeg. Eijkholt werd bedreigd met deportatie, maar hij gaf de formule niet prijs en dook onder in Stokkum, bij Herman Meijer. Direct na de oorlog werd hij burgemeester van Bergh, maar hij is het maar twee weken geweest, toen kwam Nederveen terug, te voet, via de Linthorst in Stokkum.

Eugen Reintjes van de machinefabriek in Emmerik heeft veel levens gered. Er werden duikboten (Bibers) gemaakt. Die werden in de Rijn uitgeprobeerd. Hij was Nederlander en nam landgenoten in dienst; zijn vrouw was Duitse en kwam uit Essen. Mogelijk had ze met Krupp iets te maken. Reintjes woonde aan de Slotlaan in 's-Heerenberg en bezat als kunstverzamelaar een kostbare schilderijengalerie met echte Rembrandts. Men heeft een grote fout gemaakt door hem na de oorlog gevangen te nemen. Eijkholt ging over de Binnenlandse Strijdkrachten die hiervoor verantwoordelijk waren. Hierdoor heeft Reintjes later zijn kapitaal in Emmerik besteed aan o.a. een stadion, en niet aan 's-Heerenberg.

Het was in de oorlog steeds een probleem voldoende eten te bemachtigen. We gingen naar Stokkum, naar Krüs, Voortjes en Engelbarts in de Linthorst. Er werden in het geheim varkens geslacht. Op oudejaar werden oliebollen gebakken in ongeraffineerde olie van de Germania. Dat stonk verschrikkelijk. Daarom lust ik nu nog steeds geen oliebollen. We hebben echt wel honger gekend en ook bloembollenbrood gegeten, een rare groene substantie die er van buiten uitzag als brood. We maalden rogge in de koffiemolen tot pannekoekmeel.

Er zijn allerlei rare dingen gebeurd in de oorlog, wat maar weinig mensen weten. Er waren plannen voor aanleg van een tweede Autobahn langs 's-Heerenberg voor het Duitse leger. Op de Hucht werd chemisch afval gedropt uit het Ruhrgebied. De rommel moet er nog in de grond zitten.

De medische toestand in de oorlog was abominabel slecht. De dokter moest mensen soms met cognac verdoven. Een kind dat in het ziekenhuis was geboren en daarna thuis te vette koeiemelk kreeg, overleed. Mijn broer Bertus is op 24-jarige leeftijd overleden, nadat hij twee en een half jaar in Duitsland dwangarbeid had verricht. Hij liep er bloedvergiftiging op, maar thuisgekomen was er geen penicilline. Mijn broer heeft van de oorlog een heel dagboek bijgehouden.

Gebeurtenissen thuis

Moeder Hanne had in de kelder joodse en andere onderduikers, soms wel dertig. En in de voorkamer zaten ingekwartierde Duitse Wehrmachtsoldaten. Die wisten niet waar hun tabak bleef en beneden zaten ze te roken. Dat had ik gedaan. Enkele Duitsers wisten dat beneden de onderduikers zaten. Een Duitser haalde daarom bij de gaarkeuken zelfs een dubbele portie gortesoep met paardevlees.

Mensen die de grens overkwamen werden bij ons gewassen en geschoren door een verzetsman. Ze kregen eten en werden ontluisd. De kleding werd in soda gekookt. De onderduikers hielpen ons hout hakken (stump kleuven). Sommigen waren ontsnapt uit het kamp Rees. Ook hebben we eens een man uit Dachau gehad die kletsnat aan de deur kwam. Hij heeft ons na de oorlog bedankt en gaf ons een kleerborstel. Die heb ik nog altijd. Het was het enige wat hij bezat. Ook kwam na de oorlog eens iemand ons bedanken voor een glas water, dat hij in de oorlog had gekregen. Drie mensen hebben ons bedankt voor de hulp, van de rest hebben we niets meer gehoord. En dat terwijl we ons leven voor hen hadden gewaagd.

Eens hielden de Duitsers moeder de karabijn in de nek, maar ze noemde geen namen van verzetsmensen. Drie keer kloppen op de achterdeur was thuis het afgesproken teken voor onderduikers. Bij Eskens aan de Grintweg (Zeddamseweg) hadden ze ook onderduikers, maar wachtmeester Jansen kreeg er een vreselijk pak slaag toen hij kwam kijken. Bij Eskens durfde sindsdien niemand naar binnen.

De ratten van 's-Heerenberg

Wij als knapen hadden een groep van zo'n twaalf man. We waren de ratten van 's-Heerenberg. De stad was van ons, maar in Lengel kwamen we niet. We wisten veel via de NSB-jongens. We roofden alles weg, het gaf ons een kick. Op het laatst haalden we ook dingen weg die niks met de oorlog te maken hadden. De pastoor dacht dat hij wijn dronk, maar het was iets anders. De man stond op het altaar te trillen van walging. Wij hadden de wijn op en zorgden dat de fles weer vol kwam. Vraag niet hoe.

Bij grote boeren gingen we aan de voordeur, terwijl anderen achterom gauw spek, ham en worst uit de wim haalden met behulp van een gespleten stok. We werden groot met het motto: "Wa'j kriege könt mo'j pakke". We waren wel katholiek, maar als we ons streken in de biechtstoel vertelden zat kapelaan Van Rooijen in zichzelf te lachen.

Als knaap van dertien kon ik al 50 kilo beuren. Ik haalde namelijk een zak suiker bij de Duitser uit de wagen. Hij kwam van Arnhem af. Ik droeg een Mauser-pistool bij me, waarmee acht schoten konden worden afgevuurd. Die had ik uit een Duitse Messerschmidt gehaald, die bij het Montferland was neergestort. De dode piloot zat er nog in. Ik gaf hem nog een klap in het gezicht. Ik had een heel vliegenierspak met 12-volt verwarming, bril, masker. We speelden ermee. Helaas is het later weggeraakt. In een neergestort vliegtuig schoot Teun te Booij vanuit de geschutskoepel richting 's–Heerenberg. Het vee stond in de wei te springen van schrik.

Als er ergens een vliegtuig neerviel waren we erbij. In Kilder zagen we de geallieerde piloot liggen. We haalden hem uit de sloot, legden er een jas overheen en gingen er vandoor, want de Duitsers wilden natuurlijk niet dat je hulp verleende. We scheurden van vliegtuigen rubber los en schoenmaker Booms maakte er zolen van.

Als de tram door 's-Heerenberg kwam met een lading kolen probeerden we er gauw wat af te halen als de tram langzaam reed. We pakten bij het klooster de fijnste appels en de mooiste broden weg, maar ik geloof dat de witte missiepaters het door de vingers zagen. De broden lagen voor de ramen van de keuken af te koelen, maar ik geloof dat ze er speciaal voor ons werden neergelegd. We hielpen in die dagen bij het klooster aardappelen oplezen. Huis Bergh gaf financiële hulp aan weduwen en wezen. Boswachter Hendrik Gerritsen bracht ons af en toe een tientje. Maar Van Heek ging wel vrolijk op jacht met de NSB-ers.

Later in de oorlog

Na de eerste twee oorlogsjaren, toen we zagen dat het verkeerd was wat de Duitsers deden, saboteerden we ook. We lieten banden leeg, haalden boter weg en deden er deeg voor in plaats, we haalden een hele gereedschapsauto van de SS leeg. Maar moeder smeet het gereedschap en een pistool in de beerput. Ze wilde niet dat we stalen en vond het levensgevaarlijk.

We lieten benzine weglopen uit een tankwagen in het Buukebuske, waar het Duitse materieel stond. We wilden een flesje vullen, maar konden de dop toen niet meer zo snel op de pijp krijgen. We waren doodsbang te worden opgehaald. Teuntje Wissenburg werd eens gepakt toen hij een pakje vloeitjes weghaalde. De Duitsers deden alsof ze hem wilden ophangen. Deden hem een touw om de nek en gooiden het andere einde over een boomtak. Hij heeft toen namen van anderen genoemd, gelukkig niet de mijne.

Een keer zijn we gered door een 's-Heerenbergs meisje dat als hoertje met de Duitsers heulde, een Blitzmädel. Ze wist ons vrij te krijgen. Na de oorlog is ze net als alle moffenmeiden kaalgeschoren. Wij wezen de Duitsers de meisjes aan waar ze mee uit mochten en kregen er geld voor. 's-Heerenberg telde zo'n dertig hoertjes, later lagen ze met de Canadezen te vrijen.

Ik heb gezien hoe de Duitsers in het verwoeste Arnhem alles uit de huizen haalden. We mochten in de vrachtwagens met de SS-jongens meerijden, die waren maar drie jaar ouder dan wij en kwamen uit Noord-Duitsland. Baren puur goud gingen naar Duitsland. We kozen zelf tabak uit, 32 pakjes Gold Star. Ik jatte een lange leren jas en ruilde die voor vijftig eieren. Voor een ei kreeg je van de Duitsers een pakje Sunlight zeep, geroofd in Arnhem.

Waar nu het Barghse Huus staat, stond een Duits zoeklicht en aan de overkant een afweergeschut. We maakten het onklaar. De eerste jaren van de oorlog zagen we de Duitse soldaten soms nog als kameraden, maar langzaam drong de waarheid tot ons door. Vooral de laatste twee oorlogsjaren waren voor ons erg gevaarlijk. Wat hebben we niet gewaagd! We zagen het verschil tussen het mijn en dijn niet meer. Mijn moeder wilde niet hebben dat we stalen; alleen voedsel mochten we van haar meebrengen. Sommigen van onze vrienden kwamen in het criminele vlak terecht.

Ik ben altijd nog dol op griesmeelpudding. Dat komt doordat achter het Waterschap een keer een keuken van de Duitsers stond en ik zie die Duitser nog roeren in die grote dampende pot. Wij waren met zo'n vijftien man en hadden honger. We kregen ieder een beetje pudding in een blikje. Ik at het zo snel op, uit angst dat anderen het me zouden afpakken, dat ik mijn hele mond verbrandde. We wilden de Duitser doodmaken, zo'n honger hadden we. Toen de Duitser zijn rug even draaide haalden we gauw alles uit de wagen. We waren net jonge honden.

Ik zat in het begin van de oorlog in Doetinchem op de ambachtschool, bij de Veemarkt. Ook zaterdags tot half twee hadden we les. We gingen te voet. Als het fruit rijp was deden we er langer over. We hadden een ontheffing van de avondklok. Toen de school door de Duitsers werd gevorderd als werkplaats voor de technische dienst, gingen we van school af. Toen begon het roven. Als arbeiderszoon kwam je niet op de ulo. Daar werd op de lagere school al over beslist.

Ik herinner me het bombardement van Emmerik op 7 oktober 1944. Ik stond te spitten op het aardappelland. Eerst zag ik een bom op een ander vliegtuig eronder vallen. Na een enorme knal viel die neer aan de Wetering. Tot in Hüthum lagen de brokken van de B17 (Vliegend Fort). [Dit vliegtuig staat niet vermeld in het Verliesregister 1939-1945, lijst 1944, wat erop duidt dat het grotendeels aan de Duitse kant van de Wetering is neergekomen. Red.] Het was die dag prachtig weer, maar binnen 20 minuten was het donker. Ik verbeeldde me dat ik mensen in Emmerik kon horen gillen. Ik weet nog dat een jongen uit Emmerik, die zijn ouders levend zag verbranden, helemaal kierewiet in de Rijn sprong. Dag en nacht vlogen de geallieerden naar het Ruhrgebied, overdag de Amerikanen, 's nachts de Engelsen.

De Duitsers hadden in het Buukebuske een depot. Kisten met materiaal zaten in de grond in zeil en stro. Deze geheime opslagplaatsen lagen langs de hele grens, van Winterswijk tot Elten. In het Buukebuske mochten we van de jonge Duitse SS-ers met een stengun op een oude grammofoonplaat schieten, maar we richtten het geweer op hen. Wat konden ze toen lopen! We wisten zelfs dat je een Duitse steelhandgranaat boven je hoofd kunt laten afgaan, als je maar een helm op hebt.

De 'Buul Kniest' was bij de NSDAP. Voor ons was het een geweldige vent. Hij liep met granaten en wapens rond. Hij ging naar Azewijn en nam bij een boer zomaar alles in beslag. De boer zei: "laat me toch het zaaizaad houden, anders heb ik volgend jaar niets." Maar de Buul Kniest nam het toch mee. Dat vonden zelfs wij geen stijl. We besloten hem te doden met een in het Buukebuske gejatte handgranaat. Maar hij ontsprong de dans. Even later liepen we weer gewoon samen verder. Het was voor ons een soort spel.

Ook hebben we eens geprobeerd het schijnvliegveld bij het Kleine Peeske in brand te steken. De Duitsers dachten dat de geallieerden niet in de gaten hadden dat het een nepvliegveld was, maar de geallieerden lieten het liggen omdat het een handig oriëntatiepunt was. Op een keer lieten ze er bommen op vallen, maar het bleken houten klossen. Daarna hebben de Duiters er nooit meer iets aan gedaan.

In Stokkum bij Bles zat het knooppunt van alle veldtelefoonverkeer. Met een gejatte koptelefoon en knopspelden luisteren we de gesprekken door een kabel naar 's-Heerenberg af. Stokkum was met Arnhem verbonden.

Tegen het eind van de oorlog moesten de Wehrmachtsoldaten met hun karabijnen de grens verdedigen, de rest zoals SS en Gestapo was al gevlucht. Die Wehrmachtsoldaten waren vaak boeren. Ik heb gezien dat Canadezen bij gesneuvelde Wehrmachtsoldaten het geld uit de portemonnee haalden. De Canadezen waren grotere dieven dan de Duitsers. Een van hen nam een zeventiendelige hertshoornen pijp van mijn vader mee en een portemonnee met zilvergeld.

Een keer moest ik onderduiken, toen wachtmeester Jansen ons wilde verraden wegens sabotage. We konden het met shag afkopen. Het was dus pure afpersing. Hij is na de oorlog met spoed vertrokken uit 's-Heerenberg, anders had hij niet meer geleefd. Wel heb ik vernomen dat de hufter nog gedecoreerd is ook.

In de winter 1944-'45 waren overal rond 's-Heerenberg loopgraven en eenmansgaten gegraven. We werden nagezeten omdat we een groot aantal schroevedraaiers uit een tank hadden gejat. We staken ze gauw in de grond om er van af te zijn. Toen de Duitsers ter plekke wilden graven meenden ze dat het landmijnen waren. Wij stonden er bij te lachen. Het was erg gevaarlijk tegen het eind van de oorlog. Als de Canadezen bij de Rijn de schijnwerpers aan deden, moesten we de kelders in. We zaten bij het klooster in de kelder. In de Kerkstraat kwam op de laatste dag van de oorlog, 31 maart 1945, nog H. Ophuizen om het leven.

De bevrijding

Op eerste paasdag, 1 april 1945, zijn we bevrijd door het achtste Canadese leger. Jongens met platte helmen, het geweer in de aanslag kwamen de grens over. De Duitse Kriegsmarine was al gevlucht. Een Duitser wilde nog gauw een handgranaat in de schuilkelder van het klooster gooien, maar werd door de Canadezen in de rug geschoten en was op slag dood. De Canadezen kwamen overal de Wetering over. Ze hadden noodbruggetjes geslagen. De voorhoede nam strategische punten in. In het klooster zaten ook nog Duitsers. Een pater, die op het dak met een witte vlag zwaaide, wist te voorkomen dat de geallieerden het klooster platgooiden.

Ik had als een van de eersten in 's-Heerenberg lange Canadese sigaretten te pakken, Windsor, uit zulke blikken busjes. Hoewel het nog levensgevaarlijk was, dachten we dat de Canadezen veel sterker waren dan de Duitsers. Want we hadden weer eten en sigaretten. Bij de bevrijding, toen de Canadezen in het Buukebuske waren, hielp ik er met keukenwerk. Ik leerde er Engels, kreeg 200 sigaren en chocolade. De zelfgebakken broden waren heerlijk. Bij de Geldersche Tram aan de Emmerikseweg was toen een post voor schurftbestrijding door het Zweedse Rode Kruis. Opgehaalde NSB-ers moesten er de boel schoonmaken. Na de oorlog heeft 's-Heerenberg nog geprobeerd Emmerik te annexeren om de haven te krijgen. Dat is niet gelukt. Maar nu is de grens open. Hebben we toch nog een beetje onze zin gekregen.