Bijdragen aan Berghapedia? Klik hier om je aan te melden !

Maria Elisabeth van den Bergh

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Anoniem portret van Maria Elisabeth als 15-jarige

Haar jeugd

Maria Elisabeth van den Bergh was de oudste dochter van graaf Hendrik en zijn eerste vrouw Margaretha van Wittem. Zij werd in januari 1613 geboren in Stevensweert, een heerlijkheid in Spaans Gelre (nu in Nederlands Limburg), waarvan haar vader toen heer was. Toen ze nog niet getrouwd was, werd zij freule Lieske genoemd.

Een deel van haar jeugd heeft zij in Brussel doorgebracht aan het hof van aartshertogin Isabella, de streng-katholieke landvoogdes van de Zuidelijke Nederlanden. Zijn kwam echter ook in Noord-Nederlandse hofkringen. In Den Haag was zij bevriend met Amalia van Solms, de vrouw van stadhouder Frederik Hendrik van Oranje-Nassau, die een neef van haar vader was. Amalia was naar Den Haag gekomen als hofdame van Winterkoningin Elisabeth Stuart. Die dankte haar bijnaam aan het feit dat ze één winter – van 1619 op 1620 – koningin van Bohemen was geweest. Met haar man, Winterkoning Frederik V van de Palts, en haar kinderen woonde zij daarna in ballingschap in Den Haag. Maria Elisabeth heeft enige tijd aan het hof van Elisabeth Stuart gewoond en is toen ook met haar bevriend geraakt.

In die tijd, in 1628, is nevenstaand olieverfportret van Maria Elisabeth geschilderd. Het maakt deel uit van een serie van zes panelen met portretten van adellijke dames, waaronder ook haar vriendin Elisabeth Stuart. Het is niet bekend door wie en waarom de portretten zijn gemaakt, maar het is opvallend dat de zes dames allemaal met loshangend haar zijn afgebeeld. Dat was een teken van losse zeden en daarom voor adellijke dames ongepast. De portretten maken nu deel uit van de collectie van het Markiezenhof Historisch Centrum in Bergen op Zoom.

Strijd om haar bezittingen

Maria Elisabeth heeft haar plaats in de geschiedenis van Bergh vooral te danken aan de moeilijkheden die zij met haar neef Albert en andere familieleden heeft gehad over de rechten op het graafschap Bergh en andere bezittingen, met name het markiezaat van Bergen op Zoom. Voor haar begonnen de problemen na haar vaders overlijden in 1638. Hij had in 1633 bij de dood van de regerende gravin van Bergh, haar nicht Maria Elisabeth Clara, het graafschap al voor zich opgeëist. Via haar moeder maakte ze aanspraken op Bergen op Zoom, waarvan zij zich in 1635 op grond van een vonnis van het Leenhof van Brabant markiezin kon noemen. Meer over deze ingewikkelde familiestrijd staat op de pagina van haar neef en rivaal graaf Albert. Met hem sloot Maria Elisabeth in 1644 een overeenkomst waarbij zij Bergen op Zoom kreeg en hij Bergh. Vanaf 1638 had zij haar rechten op Bergh daadwerkelijk uitgeoefend, maar het zou nog tot 1650 duren voor zij Huis Bergh zou ontruimen. Als markiezin stond zij bekend als Maria Elisabeth II om zich te onderscheiden van haar voorgangster, nicht en bijna naamgenote Maria Elisabeth Clara.

De overeenkomst van 1644 hield ook in, dat Maria Elisabeths enige dochter Henriëtte Francisca zou trouwen met graaf Alberts oudste zoon Frederik Frans. Op deze manier zouden Bergen op Zoom en Bergh in één hand komen. Helaas mislukte deze opzet toen Frederik Frans in 1661 op 18-jarige leeftijd overleed. Henriëtte Francisca trouwde toen met een ander, waarmee Maria Elisabeths kansen om Bergh in bezit te krijgen waren verkeken.

Na de Vrede van Münster, die in 1648 het einde van de Tachtigjarige Oorlog bezegelde, werd zij op 16 november 1649 definitief ingehuldigd als markiezin van Bergen op Zoom. Nader onderzoek moet nog uitwijzen of zij toen voor het eerst daadwerkelijk in Bergen op Zoom was. Groot feest was het in elk geval niet, want de protestante, Oranjegezinde bestuurders van Bergen op Zoom zagen haar als katholiek niet graag komen. Toch moest ze met hen samenwerken, omdat katholieken geen openbare functies mochten bekleden. Dat is haar goed gelukt. Haar residentie, het Markiezenhof, liet ze renoveren.

De strijd met haar familie om Bergen op Zoom had zij gewonnen, maar het markiezaat is ze later toch nog bijna kwijtgeraakt. In 1657 had Elisabeth Stuarts dochter Louise Hollandine zich met medeweten van Maria Elisabeth tot het katholieke geloof bekeerd. Vervolgens had Maria Elisabeth haar geholpen bij haar vlucht naar Frankrijk, waar ze met hulp van koning Lodewijk XIV abdis werd van een klooster bij Parijs. Elisabeth Stuart was over dit alles bijzonder kwaad, en het lukte haar de Staten-Generaal ervan te overtuigen markiezin Maria Elisabeth haar bevoegdheden op het gebied van de rechtspraak te ontnemen. Deze beslissing, die in januari 1658 werd genomen, veroorzaakte veel onrust in Bergen op Zoom. Daarom begonnen de Staten-Generaal in maart een onderzoek, dat echter niets opleverde. In januari 1659 werd Maria Elisabeth in al haar rechten hersteld. De vriendschap met Elisabeth Stuart was echter voorgoed voorbij.

In de aangrenzende baronie van Breda bezat Maria Elisabeth een aantal onroerende goederen, waaronder drie molens: bij Alphen, Rijsbergen en Zundert. De molen bij Rijsbergen, een watermolen, liet zij in 1656 restaureren. Toen dit werk met succes werd afgesloten, liet zij in de gevel van de molen een wapensteen aanbrengen met de wapens van Bergh en van de vorsten van Hohenzollern.

Tot de erfenis van haar vader behoorde ook de heerlijkheid Hedel. Het kasteel daar had in de Tachtigjarige Oorlog zwaar te lijden gehad, maar zij liet het in de jaren van 1652 tot 1654 opknappen en uitbreiden om te gebruiken als buitenplaats. Zij was er graag.

Haar huwelijk

Maria Elisabeth trouwde op 19 maart 1630 met Eitel Frederik van Hohenzollern-Hechingen. Het huwelijk werd voltrokken op kasteel Boutersem bij Leuven, dat tot de bezittingen van haar moeders familie behoorde. Haar man was in januari 1601 geboren in Hechingen als zoon van Johan Georg van Hohenzollern-Hechingen en Francisca van Salm-Finstingen. In 1623 volgde hij zijn vader op als regerend vorst en bleef dat tot zijn dood in 1661.

Aan haar huwelijk ontleende zij de titel vorstin van Hohenzollern-Hechingen, maar daar is zij, voor zover kan worden nagegaan, nooit geweest. Zij heeft ook na haar huwelijk altijd op haar bezittingen in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden gewoond. Het recht hiertoe ontleende zij aan het huwelijkscontract dat na twee jaar onderhandelen was gesloten. Daarin was expliciet vastgelegd dat zij altijd onbelemmerd van Hechingen naar de Nederlanden mocht reizen. In de praktijk is zij daar dus, zo lijkt het, zelfs nooit geweest. Haar familie vond sowieso dat Hechingen in Zuid-Duitsland wel erg ver weg lag, en het paar is dan ook buiten gemeenschap van goederen getrouwd. Al vanaf 1635 leefde zij gescheiden van haar man.

Het Huis van Hohenzollern-Hechingen (uitgestorven in 1869) was nauw verwant aan het Huis van Hohenzollern-Sigmaringen, dat door vererving in 1787 in het bezit kwam van het graafschap Bergh. Maria Elisabeths huwelijk met een vorst van Hohenzollern-Hechingen heeft daarbij echter geen enkele rol gespeeld.

Op 29 november 1671 overleed zij in Bergen op Zoom, 58 jaar oud.

Haar kinderen

Het gebrandschilderde raam dat markiezin Maria Elisabeth schonk aan het karmelietenklooster in Boxmeer

Maria Elisabeth en haar man de vorst van Hohenzollern-Hechingen hadden twee kinderen. In 1632 werd een zoon geboren, die echter vrijwel meteen overleed. In 1642 volgde dochter Henriëtte Francisca, die haar moeder zou opvolgen als markiezin. Zij trouwde in 1662 in Bergen op Zoom met haar achterneef Frederik Maurits de La Tour d'Auvergne, zoon van Leonora van den Bergh. Volgens eerdere plannen van haar moeder en haar oom Albert had zij met haar neef Frederik Frans moeten trouwen, maar die was voortijdig overleden.

Haar gebrandschilderde raam

Maria Elisabeth heeft in 1684 een van de gebrandschilderde ramen in het karmelietenklooster in Boxmeer geschonken. Wellicht heeft ze dit gedaan op verzoek van haar neef Oswald III van den Bergh, die heer van Boxmeer was sinds het overlijden van zijn vader, de stichter van het klooster. Het lijkt erop dat graaf Oswald zijn familie om meer ramen heeft gevraagd, want uit 1684 stammen behalve zijn eigen raam dat van Maria Elisabeth ook die van Maria Clara van den Bergh en haar man Maximiliaan van Hohenzollern-Sigmaringen, van Elisabeth Catharina van den Bergh en van Herman Frederik van den Bergh – en mogelijk een of meer van de ongedateerde ramen.

Maria Elisabeths raam is gewijd aan de Heilige Serapion, een Egyptische kluizenaar uit de vierde eeuw. Hij is afgebeeld in een karmelietenhabijt. De mijter naast hem verwijst naar zijn benoeming tot bisschop van Antiochië.

Het wapen bovenin het raam is een combinatie van de wapens van Hohenzollern en van Bergh. Hetzelfde combinatiewapen is ook te zien op de gevelsteen van de Kaarschotse molen, die hierboven al genoemd is.

De kroon boven het wapen is een Fürstenhut, die in het Duitse Keizerrijk symbool stond voor een vorst in de zin van staatshoofd van een vorstendom. Haar echtgenoot was vorst van Hohenzollern-Hechingen, waarmee de titel vorstin haar hoogste adellijke titel was. In de Franse tekst onder het wapen wordt deze waardigheid als eerste genoemd, waarbij de titel vorstin vertaald als princesse.

Elizabeth, par la grace de Dieu Princesse de Zollern, Neé Comtesse Bergh, Marquise de Berghes sur le Zoom]], Baronne de Hedel, Dame de Gestel, S. Michiel, Outherlaer, Borghuliet, Spalbeeck, Braine Laleud, Opvelp, Muijlsteden, Beersele, Baronne hereditaire de la Duché de Gueldres et Comté de Zutphen, etc. 1684


Bronnen

Over het gebrandschilderde raam: