Bijdragen aan Berghapedia? Klik hier om je aan te melden !

Oude Algemene Begraafplaats 's-Heerenberg

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Geschiedenis

De oude algemene begraafplaats in 's-Heerenberg bestaat niet meer. Hij lag aan de Zeddamseweg, direct ten zuiden van de Joodse begraafplaats.

B&W van de gemeente Bergh lieten deze begraafplaats in 1869 aanleggen om te voldoen aan de Begraafwet van 10 april 1869. Volgens artikel 13 van deze wet moest elke gemeente ten minste één algemene begraafplaats hebben, die volgens artikel 16 ten minste vijftig meter buiten de bebouwde kom moest liggen. Op 9 juli 1869 schreven B&W aan Gedeputeerde Staten van Gelderland dat de vereiste algemene begraafplaats was aangelegd.

De oude algemene begraafplaats is nauwelijks gebruikt. Immers, alle inwoners van de stad behoorden destijds tot een van de kerkgenootschappen die elk al een eigen begraafplaats hadden. De begraafplaats van de Joodse inwoners is hierboven al genoemd. De katholieken begroeven hun doden toen nog op de oude katholieke begraafplaats en de protestanten hadden het kerkhof naast de protestantse kerk, dat ze nu nog steeds gebruiken.

Toen B&W de begraafplaats lieten aanleggen, waren zij zich er al van bewust dat zoiets in hun gemeente overbodig was. In een brief van 4 oktober 1874 aan Gedeputeerde Staten meldden zij dat de begraafplaats weliswaar gemakkelijk kon worden uitgebreid, omdat hij aan gemeentegrond grensde, maar dat het niet te voorzien [is] dat deze begraafplaats als zoodanig zal worden gebruikt. Vijf jaar na de aanleg was er inderdaad nog niemand begraven. Uiteindelijk zouden er ook maar vier doden begraven worden; de laatste in 1917.

De vier graven zijn in 1958 geruimd toen op het terrein een brandweergarage werd gebouwd. Op een situatieschets die in november 1956 bij de voorbereiding werd gemaakt, is de oude algemene begraafplaats aangegeven als "opslagplaats Gemeente Bergh". Het terrein was zijn functie als begraafplaats toen dus allang kwijt.

Al kort na de Tweede Wereldoorlog is de algemene begraafplaats aan de Oude Doetinchemseweg geopend. Hier worden ook de katholieken van 's-Heerenberg begraven.

Zandwinning

Een groot deel van het terrein van de algemene begraafplaats is vanaf 1908 afgegraven voor zandwinning. De afgraving is te zien op de luchtfoto uit 1927 hieronder. Op topografische kaarten is het terrein op de edities van 1931 tot en met 1956 in geel aangegeven als zand.

Tussen de afgraving en de weg langs de bosrand is de Joodse begraafplaats te onderscheiden. Verder naar links in de richting van de Zwarte Kolkseweg staat het lijkenhuisje uit 1919 (zie hieronder). Heuvelopwaarts is de molen achter het Jodenkerkhof te zien.

Het afgegraven zand was aanvankelijk bestemd voor de bouw van het Patersklooster, maar uit onderstand krantenbericht blijkt dat de zandwinning nog zeker tot 1928 is doorgegaan. Het ontstane zandgat is daarna gebruikt als vuilstortplaats? Dat heeft niet langer dan tot 21 mei 1933 geduurd.

Zandwinning Molenberg.JPG
Uit De Graafschapbode van 30 november 1928
Uit De Graafschapbode van 22 mei 1933
De algemene begraafplaats op de topografische kaart uit 1931.
De gele kleur duidt zand aan.

De lijkenhuisjes

Het huisje van Sien van Thiel
Tekening door Anton Pieck in het
Boek Jeus van Leo Uittenbogaard.

De Wet Besmettelijke Ziekten, die op 1 mei 1873 in werking trad, schreef voor dat elke begraafplaats een locaal ingerigt voor tijdelijke bewaring van overledenen aan eene besmettelijke ziekte moest hebben. Zo'n locaal werd in de praktijk vaak lijkenhuis of lijkenhuisje genoemd. Het was bedoeld om het lijk van iemand die aan een besmettelijke ziekte was overleden, zo snel mogelijk te isoleren om verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen. Ook doden die om wat voor reden ook niet thuis opgebaard konden worden, werden in het lijkenhuisje gelegd.

B&W van Bergh gaven in januari 1874 opdracht tot de bouw van een lijkenhuisje op de algemene begraafplaats, en lieten er ook een afrastering omheen te zetten. Of dit een nieuwe afrastering was, is niet duidelijk, maar artikel 18 van de Begraafwet uit 1869 bepaalde al dat elke begraafplaats door een muur, heining, rasterwerk of heg, ter hoogte van ten minste twee meter, [wordt] afgesloten.

Het lijkenhuisje en de afrastering moesten worden uitgevoerd volgens de aanwijzingen en opgaven van gemeentearchitect Arnold te Wiel. Na aanbesteding werd dit werk gegund aan Mathias Booms en Willem Ernst uit 's-Heerenberg en Bart Varwijk uit Zeddam. Alle drie waren zijn de timmerman, waaruit valt af te leiden dat niet alleen de afrastering, maar ook het lijkenhuisje van hout was.

B&W beslisten dat de Joodse gemeenschap het lijkenhuisje als metaheerhuis mocht gebruiken. In een metaheerhuis vindt de rituele wassing van een Joodse overledene plaats. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er op de Joodse begraafplaats zelf ooit een metaheerhuis heeft gestaan. Vermoedelijk werd de rituele wassing tot dan toe uitgevoerd in een ruimte op enige afstand van de begraafplaats.

Een aanwijzing dat het lijkenhuisje en de afrastering van hout waren, is de aanbesteding in augustus 1919 van een nieuw lijkenhuisje en een nieuwe afrastering. Dit keer moest het lijkenhuisje van steen zijn. Gemeentearchitect Johann Heinrich Venhoven stelde een gedetailleerde beschrijving op van de maten en materialen waaraan het huisje moest voldoen. Wie de bouw gegund werd, kon niet worden achterhaald.

Het stenen lijkenhuisje is eind 1996 afgebroken in verband met de nieuwbouw van de brandweergarage. Een sloopvergunning was hiervoor niet nodig, omdat er minder dan tien kubieke meter sloopmateriaal zou vrijkomen, wat inderdaad het geval was. Het is conform de geldende regels afgevoerd. Jan Lukkezen heeft destijds op het gemeentehuis nagevraagd wie er toestemming had gegeven het gebouwtje af te breken, maar daar wist niemand antwoord op geven. De reden was waarschijnlijk dat er geen sloopvergunning nodig was, en dus ook geen formele toestemming. Maar was het niet mogelijk geweest het lijkenhuisje enkele tientallen meters te verplaatsen naar de Joodse begraafplaats? Het huisje was immers ook door de Joodse gemeenschap gebruikt.

Gebruik van de lijkenhuisjes

De lijkenhuisjes (dat uit 1874 en dat uit 1919) zijn het meest gebruikt door de Joodse gemeenschap. Van de 23 grafstenen op de Joodse begraafplaats stammen er negentien uit de tijd na 1874. Na dat jaar zijn er nog andere overledenen op de Joodse begraafplaats begraven, maar hun grafstenen zijn in de loop der tijd verdwenen. Hoe vaak de Joodse gemeenschap de huisjes heeft gebruikt, is dus niet te zeggen, maar het is vaker dan negentien keer.

Op de algemene begraafplaats zijn slechts vier doden begraven, van wie de laatste in 1917. Dat wil niet zeggen dat de niet-Joodse gemeenschap het lijkenhuisje vier keer gebruikt heeft, want het is niet gezegd dat wie daar opgebaard werd ook op de oude algemene begraafplaats begraven werd. Maar veel vaker dan vier keer zal er geen niet-Joodse overledene gelegen hebben.

Van slechts twee niet-Joodse overledenen is bekend dat zij in het lijkenhuisje zijn opgebaard geweest. De eerste was Sien van Thiel, een rooms-katholieke vrouw die in 1885 zelfmoord pleegde. Het ligt voor de hand dat dit de reden was dat ze niet in een van de lijkenhuisjes bij de ingang van de oude katholieke begraafplaats werd overgebracht. Mogelijk was zij ook de eerste die hier gelegen heeft, want honderd jaar later werd het lijkenhuisje in de volksmond nog steeds "het huisje van Sien van Thiel" genoemd – ook nadat het in 1919 vervangen was door het stenen huisje.

De tweede was een inwoner van 's-Heerenberg die eind juli 1910 zelfmoord pleegde door zich in de Plantage aan een boom op te hangen. Hij werd enkele dagen later gevonden, toen zijn lichaam zich al in staat van ontbinding bevond. Het stoffelijk overschot werd onder politietoezicht naar het lijkenhuisje gebracht en 's avonds bij kaarslicht begraven.

Bronnen