Bijdragen aan Berghapedia? Klik hier om je aan te melden !

Kersjes, Bernardus

Uit Berghapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Student in Delft

Bernard Kersjes in zijn Delftse studententijd

Bernardus Kersjes werd op 8 oktober 1849 geboren in Braamt als zoon van Hendrik Jan Kersjes en Berendina Hendrika Keuper. Zijn geboortehuis was de boerderij Hof te Braamt, waar zijn familie reeds eeuwen gewoond had.

Op 20 augustus 1867 vertrok hij naar Zutphen om daar de HBS te bezoeken. Hij was er in de kost bij de familie Croese. Nadat hij zijn HBS-diploma had gehaald, vertrok hij op 5 september 1871 naar Delft om te studeren aan de Polytechnische School. Een studiegenoot van hem was Cornelis Lely, dezelfde die later de Zuiderzeewerken zou ontwerpen.

In de zomer van 1875 studeerde Kersjes af als civiel ingenieur, waarna de minister van Koloniën hem op 17 september ter beschikking stelde van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Deze benoemde hem tot ambtenaar met de rang van aspirant-ingenieur bij de Waterstaat en Burgerlijke Openbare Werken. Kersjes was nog een aantal weken in Braamt voor hij op 22 november 1875 vanuit Den Helder naar Indië vertrok. Hij reisde met het stoomschip Holland, dat op 8 januari 1876 op de rede van Batavia aankwam.

Lijst van geslaagden aan de Polytechnische School in Delft in het Algemeen Handelsblad van 4 juli 1875. Naast B. Kersjes wordt ook C. Lely genoemd, die later de Zuiderzeewerken zou ontwerpen.


Civiel ingenieur in Nederlands-Indië

Bernard Kersjes in ceremonieel ambtenarentenue in Nederlands-Indië

In Indië klom Kersjes gestaag op in de ambtelijke hiërarchie. In juli 1876 werd hij bevorderd tot ingenieur 3e klas, in augustus 1880 tot ingenieur 2e klas en in juli 1891 bereikte hij zijn hoogste rang van ingenieur 1e klas. Deze en andere informatie is te vinden in de Indische dagbladen uit die tijd, die stipt de bevorderingen en overplaatsingen van ambtenaren en legerofficieren meldden.

Zijn tijd op Sumatra

Kersjes begon zijn Indische loopbaan op het eiland Sumatra. Na een kort verblijf in Batavia kwam hij op 24 januari 1876 aan in Padang, een stad op de westkust dat eiland. Hij is ook in plaatsen in de omgeving van Padang gestationeerd geweest, zoals Padang-Sidempoean en Batangtaro. Helaas is er niets bekend over het werk dat hij daar deed.

In november 1881 – hij was toen al ruim een jaar ingenieur 2e klas – werd hij overgeplaatst naar Kotaradja (tegenwoordig Banda Atjeh), de hoofdstad van Atjeh in het noorden van Sumatra. In Atjeh heeft hij behalve in Kotaradja ook gewerkt in Oleh-leh en Anagaloeng, maar wat zijn werk daar inhield, is alweer niet bekend.

In juli 1885 werd hij overgeplaatst naar Java. Toen hij het bericht hierover ontving, was hij met ziekteverlof in Fort de Kock op West-Sumatra (tegenwoordig Bukittinggi). Deze stad ligt hoog in de bergen en heeft een veel aangenamer klimaat dan kuststeden als Padang en Kotaradja.

Gevarieerd werk op Java

Op Java was Kersjes een ambtenaar van hogere rang, zodat de kranten ook iets vermelden over het soort werk dat hij deed. Het blijkt dat hij als civiel ingenieur van alle markten thuis was.

Waarschijnlijk begon hij op Java met een kantoorbaan bij de Directie der Burgerlijke Openbare Werken in Batavia. Daarna werd hij in februari 1886 toegevoegd aan de irrigatiebrigade. Niet bekend is wat toen zijn standplaats werd, maar duidelijk is dat hij zich met irrigatiewerken bezighield.

In juli 1887 vinden we hem terug op Oost-Java, waar hij in Patjitan belast werd met het ontwerp en de bouw van een laad- en loshoofd. Ook moest hij de weg Patjitan – Ponorogo herstellen. Aan dit laatste project werkte hij tot hij in november 1888 werd overgeplaatst naar Soerabaja om het vaarwater in de Straat van Madoera te herstellen. Ook voor een leek is duidelijk dat Kersjes gevarieerd werk had.

Zijn eerste en enige verlof naar Nederland

Uit de Java-Bode van 17 juni 1889
Klik op de afbeeldingen voor een vergroting

In juni 1889 kreeg Kersjes "wegens meer dan twaalf jaar onafgebroken dienst in deze gewesten" (het waren al dertien en een half jaar) twee jaar verlof naar Europa. Op 29 juni van dat jaar vertrok hij met het stoomschip Drenthe van Batavia naar Rotterdam. Dit schip deed onderweg op 31 juli Marseille aan, en mogelijk is Kersjes hier van boord gegaan om de reis naar Nederland per trein voort te zetten. Dat was maar twee dagen reizen, terwijl de Drenthe pas op 10 augustus in Rotterdam aankwam. De trein bespaarde dus ruim een week reistijd. Zeker is dat Kersjes de terugreis op deze manier heeft afgelegd. Hij reisde toen met het stoomschip Alexander, dat op 25 april 1891 van Amsterdam naar Batavia vertrok, maar hij is pas in Genua aan boord gegaan. De aankomst in Batavia was op 6 juni.

Aldus was Kersjes van begin augustus 1889 tot begin mei 1891 met verlof in Nederland. Het ligt voor de hand dat hij zijn familie op het Hof te Braamt heeft bezocht, maar details over zijn verblijf zijn niet voorhanden.

Terug op Java

Terug op Java werd hij eerst weer bij de Directie der Burgerlijke Openbare Werken in Batavia geplaatst. Ongeveer een maand later, in juli 1891, werd hij bevorderd tot ingenieur 1e klas en weer naar Oost-Java gestuurd. In Soerabaja, de marinehaven van Nederlands-Indië, moest hij ten behoeve van de marine een hele fabriek verplaatsen. Over gevarieerd werk gesproken!

In mei 1894 kreeg hij twee maanden ziekteverlof, die hij in Pamekasan op Madoera doorbracht. Pamekasan was in 1910 toevallig de eerste standplaats van de Berghse veearts Johannes Kok.

Na terugkeer van Madoera kreeg hij de taak een irrigatiesysteem bij de stad Kedoe te verbeteren. In februari 1897 werd hij benoemd tot chef van de 5e Waterstaatsafdeling. In die hoedanigheid reisde hij veel, onder andere naar de Molukken, om de toestand van allerlei bouwwerken te beoordelen en te controleren.

Uit de Java-Bode van 29 juli 1891
Uit De Locomotief van 24 mei 1894
Uit het Bataviaasch Nieuwsblad van 18 februari 1897


De Tjandi Mendoet

In september 1896 kreeg Kersjes "namens de regering" de opdracht tekeningen te maken van de Mendoettempel. In het Indonesisch is dit de Tjandi Mendoet (koloniale spelling) of Candi Mendut (moderne spelling). Deze boeddhistische tempel ligt niet ver ten oosten van de bekende Borobudur op Midden-Java. Aan het eind van de negentiende eeuw was de Tjandi Mendoet erg vervallen.

Samen met enkele medewerkers maakte Kersjes tekeningen van de plattegrond en aanzichten en doorsneden van de tempel om de architectuur vast te leggen. Aan de hand daarvan maakte hij een gedetailleerde beschrijving van de ligging en bouw van de tempel. Een andere ambtenaar, C. van Hamer, maakte aan de hand van foto's beschrijvingen van de reliëfs en andere versieringen van de tempel. Hun werk werd in januari 1904 door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen gepubliceerd in het boek De Tjandi Mendoet voor de Restauratie. Nog tot het begin van 1907 werd er voor dit boek geadverteerd in de Indische dagbladen.

De opdracht aan Kersjes en Van Hamer was een eerste stap naar de restauratie van de tempel. Het schoonmaken begon al gauw nadat het rapport van Kersjes en Van Hamer klaar was. In 1908 begon de restauratie onder leiding van Theodoor van Erp, die ook de Borobudur restaureerde. In 1925 was het werk klaar.

De plattegrond van de tempel
De tempel vanuit het zuidwesten
De vervallen tempel op een foto uit het boek van Kersjes en Van Hamer
De gerestaureerde tempel in 1987 gefotografeerd door Gerhard Pas

Terug in Nederland

Uit De Locomotief van 8 juni 1900

Op 5 juni 1900 werd ingenieur Kersjes op eigen verzoek eervol uit 's lands dienst ontslagen. Hij was toen vijftig jaar en had er, zijn verlof in Nederland meegeteld, 25 dienstjaren opzitten. Hij verliet Nederlands-Indië met het stoomschip Ardjoeno, dat op 1 augustus 1900 van Batavia vertrok en op 3 september in Rotterdam aankwam. Mogelijk is hij eerder in Marseille of Genua van boord gegaan om per trein naar Nederland door te reizen.

Of hij het in Indië helemaal naar zijn zin heeft gehad? Wel, toen een neef later ook in Delft ging studeren, zei Kersjes tegen hem: "Ga maar niet naar Indië."

Actief in Braamt en Zeddam

Uit De Graafschapbode van 19 juli 1911

Terug in Nederland vestigde Kersjes zich als landbouwer op het Hof te Braamt, zijn geboortehuis. Zijn dienstbode was zijn nichtje Dina Kersjes. Na haar huwelijk in 1919 kwam zijn nichtje Hanna Kersjes.

Kersjes was volop actief in het openbare leven in zijn woonplaats. Zo was hij een van de leidende figuren bij de oprichting op 7 april 1902 van de Coöperatieve Boerenleenbank Zeddam. Hiervan was hij tot in augustus 1921 voorzitter. Bij zijn vertrek werd hij benoemd tot erevoorzitter. Er waren destijds twee overkoepelende organisaties van boerenleenbanken: de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Bank in Utrecht en de Coöperatieve Centrale Boerenleenbank in Eindhoven. De Boerenleenbank Zeddam was lid van de koepel in Utrecht.

Van november 1907 tot april 1910 was hij kerkvoogd van de Nederlands-Hervormde gemeente in Zeddam. Kerkvoogden werden voor vaste termijnen van vijf jaar gekozen. De eerste twee van de twintigste eeuw liepen van 1902-1907 en van 1908-1913. Kersjes' ambtsperiode valt hier niet mee samen, omdat hij in november 1907 de overleden kerkvoogd H. Teeuwsen opvolgde. In april 1910 trad hij om nog onbekende reden voortijdig af en werd opgevolgd door J.H. Wentink.

In juni 1908 kocht Kersjes na een verenigde vergadering van kerkvoogden en notabelen een Statenbijbel uit 1826. Het was een gehavend exemplaar, dat hij op zijn kosten liet repareren. Deze Statenbijbel is nu in het bezit van de familie Wentink in Zeddam, nazaten van Kersjes' zus Jacoba Johanna.

In 1911 was Kersjes een van de initiatiefnemers tot de oprichting van een zuivelfabriek in Zeddam. Inderdaad werd in 1912 de Coöperatieve Zuivelfabriek Bergh geopend. Hij is bestuurslid van deze fabriek geweest.

Ook was Kersjes tot 1921 voorzitter van de afdeling Bergh van de Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw, die zijn zetel in Zeddam had.

In 1918 stelde hij grond beschikbaar voor een lagere school in Braamt op voorwaarde dat dit een openbare school zou zijn en blijven. De school werd in 1923 echter omgevormd tot een katholieke school.

In 1920 stelde hij een terrein aan de Kilderseweg in Zeddam beschikbaar voor de inrichting van een begraafplaats. Deze werd in 1923 geopend en is tegenwoordig nog steeds in gebruik. Voordien werden de overledenen van de protestantse gemeente Zeddam begraven op de begraafplaats aan de Oude Doetinchemseweg, die in 1829 in gebruikt werd genomen. Dáárvoor werden de doden begraven rond en in de Sint Oswalduskerk. Kersjes' overgrootmoeder Lamberdina Remmelink werd in 1809 in die kerk begraven (andere voorouders waarschijnlijk ook, maar daarover ontbreken de gegevens).

Een rustige oude dag in Laren

Op 16 december 1921 – hij was toen 72 jaar – verhuisde hij van Braamt naar Laag-Soeren op de Veluwe. Hij ging alleen, want hij is zijn hele leven ongetrouwd gebleven. Om redenen die (nog) niet bekend zijn, heeft hij maar kort in Laag-Soeren gewoond.

In 1922 verhuisde hij naar Laren (Gld.), waar hij even ten oosten van dat dorp een voormalige pastorie met de naam Huize Rambler had gekocht; een buitengoed, geschikt voor zomer- en winterverblijf met tuin, bouwland, bos en wandeling. Hier genoot hij van zijn oude dag.

Hij overleed in zijn huis in Laren op 8 juni 1934, 84 jaar oud. Op 12 juni werd hij ter aarde besteld op de begraafplaats in Zeddam waarvoor hijzelf veertien jaar eerder een stuk grond had geschonken. Dominee Buisman refereerde in zijn grafrede aan de betekenis van de naam van Kersjes' huis in Laren: wandelaar, trekker. Kersjes' graf is nog steeds aanwezig.

In de jaren zestig kreeg de oude weg tussen Zeddam en Braamt de naam ir. B. Kersjesweg. Na 2000 is deze naam overgegaan op de nieuwe rondweg aan de oostkant van Zeddam.

Bernard Kersjes in 1928 met zijn nichtje Dina Wentink in Laren. Zij was een dochter van zijn Kersjes' zus Jacoba.
Bernard Kersjes voor Huize Rambler in Laren
Uit De Graafschapbode van 11 juni 1934
Uit De Graafschapbode van 11 juni 1934
Kersjes' graf in Zeddam. Naast hem ligt zijn nichtje Dina Wentink, die op de foto hierboven naast hem zit.
Foto Gerhard Pas

Bronnen